Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AR4038
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijkaansprakelijkstelling op grond van artikel 16a van de CSV van het betrokken tuinbouwbedrijf voor de door de co÷peratie over de jaren in geding onbetaald gelaten premies voor de sociale werknemersverzekeringen. Inlenersaansprakelijkheid. Bemiddeling tussen tuinders en Poolse vennootschappen (ook spolkaĺs genoemd). Schijnconstructie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/5227 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Groningen op 10 september 2002, registratienummer 00/566, tussen partijen gewezen uitspraak (hierna: de aangevallen uitspraak).

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 juni 2004, waar namens appellante is verschenen H.J.J. Scholtens, bijgestaan door mr. A. MŘller, kantoorgenote van voornoemde gemachtigde, en waar namens gedaagde zijn verschenen mr. M. Mulder en P.R.H. Min, beiden werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 7 december 1999 heeft gedaagde appellante ingevolge artikel 16a van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten verschuldigd ten aanzien van werknemers die in 1995 en 1996 aan haar ter beschikking werden gesteld door de [naam co÷peratie] (hierna: [de co÷peratie]). Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 mei 2000 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Uit de gedingstukken blijkt - kort samengevat - het volgende beeld van de voor de onderhavige zaak relevante feiten en omstandigheden. Appellante exploiteert een tuinbouwbedrijf en heeft door bemiddeling van [de co÷peratie] contracten gesloten met Poolse vennootschappen (ook spolkaĺs genoemd), strekkende tot verkoop van gewassen, te weten spruitplantjes te velde. De Poolse vennootschappen dragen zorg voor de oogst en/of de bewerking van de gewassen, waarna de bewerkte gewassen door appellante terug worden gekocht dan wel ter veiling worden aangeboden. Bij de oogst en bewerking van de gewassen wordt gebruik gemaakt van door appellante ter beschikking gestelde landbouwmachines en toiletkleed en schaftruimte. Appellantes eigenaar was bij het sorteren van de geoogste spruiten aanwezig en controleerde de kwaliteit van de spruiten.

Gedaagde heeft de door appellante gehanteerde constructie als vals bestempeld op basis van de bevindingen uit een gezamenlijk onderzoek van zijn opsporingsdienst en de FIOD, de Economische Controle Dienst, de Belastingdienst Hoorn, de Arbeidsinspectie en de Politie Noord-Holland-Noord. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat appellante Poolse werknemers van [de co÷peratie] heeft ingeleend.



De [de co÷peratie]-constructie

In de bevindingen uit bovenbedoeld opsporingsonderzoek ziet de Raad met de rechtbank voldoende aanknopingspunten om de door [de co÷peratie] gepresenteerde constructie niet te volgen. De Raad wijst daarbij met name op de in het van het opsporingsonderzoek opgemaakte proces-verbaal aangehaalde getuigenverklaringen, verslagen van telefoongesprekken tussen de tuinders en [de co÷peratie] en bij [de co÷peratie] aangetroffen administratieve bescheiden zoals door de tuinders ingezonden overzichten van door de Poolse werknemers gewerkte uren. Dit beeld spoort volledig met het door gedaagde in hoger beroep overgelegde vonnis van 31 maart 2000 van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Alkmaar, waarin - onder meer - bewezen verklaard is dat [de co÷peratie] in de periode van 1 maart 1994 tot en met 30 juni 1998 als werkgever opzettelijk en in het geheel niet de verplichting is nagekomen tot het voeren van een loonadministratie en tot het doen van opgave van al het door de bij haar in dienst zijnde en in Nederland tewerkgestelde Poolse werknemers genoten loon. Gedaagde heeft naar het oordeel van de Raad terecht geen zelfstandige betekenis toegekend aan de Poolse vennootschappen, anders dan dat die vennootschappen bestaan.



Inlening

Uit de gedingstukken blijkt voorts dat [de co÷peratie] zich feitelijk als een uitzendbureau voor Poolse werknemers heeft gedragen, zodat de Raad evenmin aan twijfel onderhevig acht dat de Poolse werknemers in fictieve dienstbetrekking tot [de co÷peratie] stonden en met instandhouding van die dienstbetrekking door [de co÷peratie] aan appellante werden uitgeleend. Gedaagde heeft in het bestreden besluit feiten vermeld op grond waarvan de Poolse werknemers worden geacht onder leiding of toezicht van appellante werkzaam te zijn geweest. De Raad acht het bestreden besluit op dit punt voldoende gemotiveerd. Voorts stelt de Raad vast dat uit de gedingstukken genoegzaam blijkt dat de inleners aan [de co÷peratie] mededeling deden van de door de Poolse werknemers gewerkte uren en de Poolse werknemers per uur werden betaald. Het afrekenen op basis van gewerkte uren vormt een belangrijke aanwijzing voor een situatie als bedoeld in artikel 16a van de CSV. Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad (zoals bijvoorbeeld verwoord in de uitspraak van 21 januari 1987, gepubliceerd in RSV 1987, 164) ligt het in situaties als de onderhavige op de weg van de inlener om aan te tonen dat geen sprake is geweest van inlening. Appellante heeft dat bewijs niet kunnen leveren.



De premieschuld

Uit het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [de co÷peratie] op 23 november 1998 is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn. Op 9 december 1998 heeft gedaagde correctienotaĺs over 1994 tot en met 1997 aan [de co÷peratie] verzonden. Gedaagde heeft vervolgens dwangbevelen doen uitvaardigen, welke zijn betekend aan de Officier van Justitie, van welke betekening melding is gemaakt in een regionaal dagblad. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de notaĺs nietig zijn en [de co÷peratie] geen premie verschuldigd is, zodat appellante ten onrechte ingevolge artikel 16a CSV aansprakelijk wordt gesteld.

De Raad wijst er op dat de materiŰle premieschuld van een werkgever niet eerst ontstaat bij de premievaststelling, maar reeds ten tijde van de loonbetalingen. De Raad verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 16 april 1982, gepubliceerd in NJ 1982, 635. Voorts verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 juli 1999, gepubliceerd in RSV 1999, 250, in welke zaak premienotaĺs werden opgelegd nadat de primaire premieplichtige, een natuurlijke persoon, was overleden.

De Raad oordeelt in de onderhavige zaak op grond van het voorgaande dat [de co÷peratie] wel degelijk premies verschuldigd was. Nu deze premies niet zijn betaald en [de co÷peratie] daardoor van rechtswege in gebreke was, voorts enige betaling van de kant van [de co÷peratie] evenmin te verwachten viel, reeds vanwege de financiŰle positie van de boedel ten tijde van het ophouden te bestaan, kon gedaagde naar het oordeel van de Raad tot aansprakelijkstelling van de inleners over gaan.

Appellante heeft de juistheid van het bedrag van de aansprakelijkstelling betwist en gesteld dat de berekening van het bedrag volstrekt oninzichtelijk is. De Raad volgt appellante niet in deze grief. Uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde het bedrag heeft gebaseerd op de zich onder de gedingstukken bevindende nota van 16 mei 1995 en de facturen van 20 december 1995 en 23 december 1996. De Raad is niet gebleken dat appellante tot een te hoog bedrag aansprakelijk is gesteld.

Met betrekking tot het gestelde ten aanzien van de bestuurders van [de co÷peratie] overweegt de Raad dat gedaagde niet nagelaten heeft de bestuurders aansprakelijk te stellen. Gedaagde heeft aangegeven dat de liquiditeitspositie van [de co÷peratie] en haar
(ex-) bestuurders onderdeel is geweest van het onderzoek, hetgeen naar het oordeel van de Raad niet onzorgvuldig kan worden genoemd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x