Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AR4690
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene heeft zich als werkgever niet gehouden aan de op hem rustende verplichting om een deugdelijke loonadministratie te voeren. Zijn terecht correctienota’s en boetenota’s over de jaren in geding opgelegd?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4689 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft J.J. Tabak, werkzaam bij de Fiscount Adviesgroep te Zwolle, op 10 september 2002 hoger beroep ingesteld tegen een door de Rechtbank ’s-Hertogenbosch op 5 augustus 2002 tussen partijen gewezen uitspraak (nr. 01/1774).

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 september 2004. Daar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F.F.W. Feitsma, werkzaam bij de Fiscount Adviesgroep. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant exploiteert een cafetaria in de vorm van een eenmanszaak in het uitgaanscentrum van [plaatsnaam].

Uit een op 2 oktober en 13 november 2000 van de kant van gedaagde gehouden looncontrole is gebleken dat appellant zich in de jaren 1995 tot en met 1999 niet heeft gehouden aan de op hem als werkgever rustende verplichting om een deugdelijke loonadministratie te voeren. Blijkens het looncontrolerapport van 17 november 2000, dat mede is gebaseerd op een controlerapport van de Belastingdienst ondernemingen [plaatsnaam] te [plaatsnaam] (hierna: de Belastingdienst) van 27 juni 2000, is op basis van de openingstijden van de cafetaria en de normale personeelsbezetting overdag, in de avond en op drukke uitgaansdagen berekend dat er jaarlijks 16.796 mensuren nodig zijn. Rekening houdend met de eigen inzet van appellant gedurende 80 uur per week, de onbetaalde inzet van familie en vrienden gedurende 40 uur per week én de aan de personeelsleden uitbetaalde lonen blijken in de jaren 1995 tot en met 1999 totaal 22.015 uren niet te zijn verantwoord in de loonadministratie. Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien om op 7 december 2000 correctienota’s over genoemde jaren op te leggen tot een bedrag van totaal f 219.355,-- (€ 97.491,11) en op 18 december 2000 boetenota’s ter hoogte van 25% van de correctienota’s. Voorts is op 8 december 2000 een verzuim geregistreerd.

De namens appellant tegen deze besluiten ingediende bezwaren zijn bij besluit van 20 juni 2001 door gedaagde alle ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 20 juni 2001 ongegrond verklaard.

In hoger beroep is de aangevallen uitspraak namens appellant gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt als volgt.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde op grond van de door zijn medewerkers uitgevoerde looncontrole en het controlerapport van de Belastingdienst van 27 juni 2000 terecht tot de conclusie is gekomen dat gedaagde loonbetalingen heeft verricht aan werknemers die niet, of niet volledig in de administratie zijn opgenomen. De omstandigheid dat gedaagde zich heeft gebaseerd op de bevindingen van de Belastingdienst en geen aanvullend onderzoek heeft verricht vormt voor de Raad geen reden om de conclusie van gedaagde om zorgvuldigheidsredenen te verwerpen. De Raad ziet ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de weergave van de door appellant aan het begin van het onderzoek tegenover de Belastingdienst afgelegde verklaring over de openingstijden en de personeelsbezetting. Op dat moment heeft appellant onbevangen zijn verklaring afgelegd. Aan de latere ontkenning van appellant op het moment dat hij de betekenis van zijn verklaring inzag, kent de Raad geen betekenis toe.
In het ontbreken van een personeelsrooster, een urenverantwoording en arbeidscontracten ziet de Raad, wat er ook zij van de vraag of er in dit kader een wettelijke verplichting is tot het voorhanden hebben van deze documenten, geen aanleiding voor het oordeel dat gedaagde een aanvullend onderzoek had behoren te doen.

Anders dan appellant ziet de Raad voorts geen grond om te oordelen dat gedaagde bij de schatting van het niet verantwoorde premieloon over de jaren 1995 tot en met 1999 zodanig onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd dat niet meer van een zorgvuldige en redelijke schatting kan worden gesproken. Daarbij is in aanmerking genomen dat gedaagde de arbeidsinzet van appellant op 80 uur en de arbeidsinzet om niet van familie en vrienden op 40 uur per week heeft gewaardeerd. De Raad acht het niet aannemelijk dat appellant de cafetaria gedurende de gehele periode in geding heeft kunnen exploiteren met behulp van een zo uitgebreide en gestructureerde hulp van familie en vrienden als door appellant is aangegeven.

In hoger beroep zijn namens appellant vier gelijkluidende, alle op 9 augustus 2004 gedateerde, verklaringen van familieleden overgelegd inhoudende dat zij in loondienst waren bij appellant en dat het altijd gebruikelijk is geweest dat buiten de normale werktijd er gemiddeld 6 tot 8 uur per week extra werd gewerkt om als het druk was even te assisteren of als het stil was even op de zaak te passen. Daargelaten dat niet duidelijk is op welke periodes de verklaringen zien, heeft appellant naar het oordeel van de Raad met deze verklaringen evenmin aannemelijk gemaakt dat de inzet om niet van familie en vrienden een grotere omvang had dan de 40 uur per week waarmee gedaagde reeds rekening heeft gehouden.

De met de Belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst staat naar het oordeel van de Raad er niet aan in de weg om het rapport van die dienst mede ten grondslag te leggen aan de correctie- en boetenota’s en de verzuimregistratie. Daarbij is van belang dat gedaagde een eigen verantwoordelijkheid heeft en dit andere standpunt op goede gronden als juist beoordeelt.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Derhalve wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x