Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AR4832
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het voordeel uit dienstbetrekking ten bedrage van de niet-ingehouden loonbelasting en premie wordt, gebruteerd, als loon in aanmerking genomen, afhankelijk van de situatie, hetzij aanstonds door brutering van het netto genoten loon, hetzij op een later tijdstip als een afzonderlijk loonbestanddeel.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/1362 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 19 oktober 1999 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 3 juni 1999, inhoudende een correctienota over het jaar 1998 in verband met niet ingehouden loonheffing op de correcties over de jaren 1993 tot en met 1996.

De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 24 januari 2002, kenmerk 99/1063, het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat het Uwv het door gedaagde betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 3 juni 2002 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr. R.S. Ferouge, belastingadviseur bij Loyens & Loeff te Amsterdam, een verweerschrift, gedateerd 16 april 2004, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 april 2004, waar voor appellant is verschenen P.R.H. Min, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde, zoals aangekondigd, zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Bij gedaagde is vanwege appellant in 1997 en 1998 een looncontrole gehouden, waarvan een rapport is opgemaakt, gedateerd 22 december 1998. In dit rapport worden diverse correcties voorgesteld op de door gedaagde in de jaren 1993 tot en met 1997 verantwoorde premielonen. Het rapport van 22 december 1998 is op 29 december 1998 naar gedaagde gezonden. In een begeleidend schrijven is gedaagde ervan in kennis gesteld dat zij separaat nog een aanvullende rapportage zal ontvangen met betrekking tot niet ingehouden loonheffing. Bij brief van 29 maart 1999 heeft appellant gedaagde een aanvullend looncontrolerapport doen toekomen, gedateerd 19 januari 1999. In dit rapport wordt voorgesteld het premieloon over 1998 in verband met niet verhaalde loonheffing te corrigeren met betrekking tot bovenmatig geachte, door gedaagde uitbetaalde onkostenvergoedingen, door gedaagde aangeboden weekendreisjes en dergelijke en de door gedaagde betaalde kosten van autorijles aan een werknemer. Het rapport vermeldt dat gedaagde heeft laten weten dat zij de loonheffing op de betrokken werknemers zal verhalen.

Op basis van laatstvermeld rapport heeft appellant gedaagde een premienota, gedateerd 3 juni 1999, over 1998 doen toekomen, welke nota appellant heeft gehandhaafd bij zijn in rubriek I vermelde besluit van 19 oktober 1999.

Dit besluit heeft de rechtbank vernietigd. Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als verweerder en gedaagde als eiseres, heeft zij daartoe het volgende overwogen:

“Eiseres heeft een naheffing loonbelasting opgelegd gekregen in verband met het toekennen van bovenmatige reiskostenvergoedingen aan haar werknemers en het verstrekken van loon in natura.
Verweerder beschouwt deze naheffing als loon waarover premies werknemersverzekeringen dienen te worden betaald, omdat eiseres de nageheven loonbelasting niet op haar werknemers heeft verhaald. Deze zogenaamde brutering dient volgens verweerder over 1998 plaats te vinden, aangezien de werknemers van eiseres op dat moment het voordeel hebben genoten.
Eiseres heeft de naheffing loonbelasting niet betwist, maar is van opvatting dat pas kan worden gebruteerd op het moment dat de werkgever heeft besloten af te zien van verhaal op de werknemer van de nageheven loonbelasting. Volgens haar heeft zij in 1998 nog niet afgezien van verhaal.
De rechtbank acht in dit verband de uitspraken van de Hoge Raad der Nederlanden van 19 oktober 1988, BNB 1988/336 en 4 mei 1994, RSV 1995/11 richtinggevend. Hieruit blijkt dat, voor wat betreft het voordeel dat de werknemers genieten als de werkgever besluit de nageheven loonbelasting niet op hen te verhalen, afzonderlijk kan worden nageheven over het tijdvak waarin de werkgever dat besluit heeft genomen.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting moet er van worden uitgegaan dat eiseres in 1998 nog niet had besloten om af te zien van verhaal. Dit is eerst in de loop van 2000 gebeurd.
Dat betekent dat verweerder in het onderhavige geval de nageheven loonbelasting heeft gebruteerd op een tijdstip waarop dit nog niet mogelijk was, nog daargelaten of gebruteerd kan worden in het geval civielrechtelijke belemmeringen in de weg staan aan het verhaal op de werknemer van de nageheven loonbelasting. Er was namelijk in 1998 nog geen sprake van loon als bedoeld in artikel 4 CSV.”

Appellant kan zich met dit oordeel van de rechtbank niet verenigen. Daartoe heeft hij in zijn aanvullend beroepschrift het volgende aangevoerd:

“Ondergetekende stelt zich op het standpunt dat werknemers een nettovoordeel vanwege niet ingehouden loonheffing genieten, op het moment dat is vastgesteld dat er sprake is van niet-verantwoorde loonbetaling en de werkgever niet heeft besloten deze loonheffing op de werknemers te gaan verhalen. De enkele intentie om over te gaan tot verhaal, laat naar de mening van ondergetekende namelijk onverlet dat op het hiervoor aangegeven moment, sprake is van door de werknemers genoten voordeel. Ondergetekende is van mening dat eerst wanneer de werkgever aantoont dat hij de loonheffing alsnog heeft verhaald, een opgelegde correctie ter zake van de loonheffing kan worden teruggedraaid. Een eventuele onmogelijkheid tot verhaal valt, naar de mening van ondergetekende, binnen de risicosfeer van een werkgever, als gedaagde, aangezien het primair de verantwoordelijkheid van de werkgever is om op juiste wijze het door haar werknemers genoten loon te verantwoorden (vide de uitspraken van uw Raad gepubliceerd in RSV 1996/7 en RSV 1996/8).
Ondergetekende wijst ter ondersteuning van bovenvermeld standpunt erop dat blijkens het arrest van de Hoge Raad d.d. 19 oktober 1988 (BNB 1988/336) in de betreffende zaak door het Hof het standpunt is ingenomen dat vanaf het tijdstip waarop de naheffingsaanslag aan de belanghebbende ter kennis is gebracht, de werknemers de beschikking hebben gehad over een hoger loon dan waarnaar de aanvankelijk geheven loonbelasting is berekend. Aangezien de Hoge Raad dit oordeel van het Hof niet voor onjuist heeft gehouden, is ondergetekende van mening dat hierin voldoende steun kan worden gevonden voor de juistheid van de in casu aan gedaagde opgelegde nota over 1998.
Verder merkt ondergetekende op dat een correctie ter zake van loonvoordeel vanwege niet ingehouden loonheffing slechts wordt opgelegd ten aanzien werknemers die in het jaar van constatering nog bij de werkgever in dienst zijn. Ten aanzien van werknemers die in dat betreffende jaar niet meer bij de werkgever in dienst zijn, kan een dergelijke correctie niet worden opgelegd, aangezien er voor die betreffende werknemers dan immers geen loondagen zijn waar het voordeel tegenover gesteld kan worden.
Gezien het voorgaande stelt ondergetekende zich op het standpunt dat de uitleg die de rechtbank aan de jurisprudentie van de Hoge Raad geeft, te beperkt moet worden geacht. In de visie van de rechtbank zou een werkgever die te lang talmt met het nemen van de beslissing of nu wel of niet overgegaan zal worden tot verhaal, een eventuele naheffing (succesvol) kunnen frustreren, door met het nemen van een beslissing te wachten totdat de betreffende werknemers uit dienst zijn.
In het onderhavige geval is in 1998 geconstateerd dat er sprake was van niet-verantwoorde1oonbetalingen. Nu gedaagde op dat moment nog niet had besloten tot verhaal van de niet ingehouden loonheffing over te gaan, stelt ondergetekende zich op het standpunt terecht de correctienota over 1998 aan gedaagde te hebben opgelegd.”

Gedaagde heeft in haar verweerschrift gesteld dat zij in 1998 nog niet had besloten af te zien van verhaal op haar werknemers. Onder verwijzing naar het al door appellant genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 1988 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat er dan ook ten onrechte over 1998 tot brutering is overgegaan.

Ter zitting van de Raad heeft appellant nog gewezen op ’s Raads uitspraak van 24 april 2003 (RSV 2003/148 en USZ 2003/207). Bij deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat op het moment dat de werkgever zich ervan bewust wordt dat een loonbetaling aan een werknemer is gedaan, zonder dat daarop de verschuldigde loonheffing is ingehouden, er sprake is van een uit dienstbetrekking genoten voordeel terzake van deze loonheffing, welk moment zich in de regel zal voordoen ten tijde van de looncontrole, doch uiterlijk in de bezwaarfase.

De Raad overweegt naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde dat, indien een werkgever geen of te weinig loonbelasting en/of premie volksverzekeringen heeft ingehouden en hij de van hem nageheven loonbelasting en/of premie volksverzekeringen niet op de betrokken werknemer verhaalt, deze werknemer een voordeel uit dienstbetrekking geniet ten bedrage van de niet ingehouden loonbelasting en premie. Dit voordeel wordt, gebruteerd, als loon in aanmerking genomen, afhankelijk van de situatie hetzij aanstonds door brutering van het netto genoten loon, hetzij op een later tijdstip als een afzonderlijk loonbestanddeel. Van dit laatste is te dezen sprake. Daarvoor is naar het oordeel van de Raad wel vereist dat de werkgever zich ervan bewust moet zijn geworden dat hij loonbetalingen heeft verricht waarop hij loonbelasting en/of premie volksverzekeringen had moeten inhouden, en die werkgever een standpunt heeft moeten kunnen innemen over het al dan niet verhalen van het genoten voordeel op de betrokken werknemers. Dit oordeel ligt ook besloten in ’s Raad uitspraak van 24 april 2003. Ook het door de rechtbank en partijen genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 1988 geeft dit aan, nu daarbij het tijdstip waarop de naheffingsaanslag aan belanghebbende ter kennis is gebracht, beslissend is geacht, waarbij de Raad aantekent dat het daarbij ging om een situatie waarin de werkgever de nageheven loonbelasting voor zijn rekening heeft genomen en die werkgever nimmer het voornemen heeft gehad deze belasting op haar werknemers te verhalen.
De Raad moet vaststellen dat het looncontrolerapport van 22 december 1998 geen gewag maakt van het genoten voordeel in verband met niet ingehouden loonbelasting en/of premie volksverzekeringen. Mede gelet op het tijdstip waarop dit rapport is verzonden, gaat het de Raad te ver om aan te nemen dat bedoeld voordeel al in 1998 is genoten. Dat in een begeleidende brief een nadere rapportage hierover is aangekondigd, maakt dit niet anders. Pas met het aanvullend looncontrolerapport van 19 januari 1999, verzonden op 29 maart 1999, is inzichtelijk geworden waaruit het genoten voordeel bestaat en in welke omvang.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 409,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2004.

(get.) G van der Wiel.

(get.) A. Kovács.




Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, vierde tot en met achtste lid, 4 tot en met 8 en de op die artikelen berustende bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x