Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AR4839
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van correctie- en boetenota's over de jaren in geding. Loonbetaling aan (il)legale personen buiten de loonadministratie om. Schatting van het verschuldigde premieloon.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2996 CSV en 02/3172 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante]. handelend onder de naam [naam restaurant], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 24 oktober 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen besluiten van 16 maart 1999 en 22 maart 1999, inhoudende correctie- en boetenota’s over de jaren 1994 tot en met 1998.

Bij besluit van 10 januari 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 10 november 2000, waarbij gedaagde heeft geweigerd appellante uitstel van betaling van evenvermelde nota’s te verlenen.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 24 april 2002, kenmerk 00/4856 en 01/707, de namens appellante tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Appellante is bij gemachtigde mr. P.J. Siekman, advocaat te Hoofddorp, op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 5 augustus 2002, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 juli 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Siekman, voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen W. Prins, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Gelet op het beroepschrift heeft het hoger beroep uitsluitend betrekking op het in rubriek I vermelde besluit van 24 oktober 2000.

De bij dit besluit gehandhaafde correctie- en boetenota’s over de jaren 1994 tot en met 1998 zijn een uitvloeisel van een in 1998 gehouden opsporingsonderzoek naar de daadwerkelijke personeelsbezetting van het door appellante geëxploiteerde restaurant, van welk onderzoek op 12 maart 1999 proces-verbaal is opgemaakt, alsmede van een daarmee samenhangende looncontrole, waarvan op 25 februari 1999 rapport is opgemaakt.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het besluit van 24 oktober 2000 in rechte stand kan houden. Daartoe heeft zij bij de aangevallen uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en gedaagde als verweerder, het volgende overwogen:

“De rechtbank is allereerst van oordeel dat, gelet op de uit het opsporingsonderzoek gebleken constateringen, toereikend is komen vast te staan dat buiten de loonadministratie om aan (il)legale personen loon is betaald. Verweerder was dan ook gehouden om premiecorrecties op te leggen.
Bij gebrek aan exacte en betrouwbare dienstverband- en loongegevens, zoals in het geval van eiseres, dienen de premies bij benadering te worden vastgesteld aan de hand van een zo nauwkeurig mogelijke schatting.
De rechtbank ziet zich thans voor de vraag geplaatst of verweerder een dergelijke schatting heeft gemaakt van het verschuldigde premieloon. Verweerder heeft daartoe blijkens het bestreden besluit 1 een berekening gemaakt van de gemiddelde personeelsbezetting aan de hand van twee door de bedrijfsleider [naam bedrijfsleider] afgelegde verklaringen, de openingsuren van het restaurant en de op17 april 1998, 20 november 1998 en 4 december 1998 gedane waarnemingen ter plaatse in het restaurant. Vervolgens heeft de looninspecteur het hieruit voortvloeiende aantal gewerkte uren vermenigvuldigd met de geldende Horeca CAO-lonen gebaseerd op de functieclassificaties inclusief zondagtoeslag, jaarlijkse prijscompensatie, CAO-verhogingen en 8 % vakantiegeld.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het bovenstaande alsmede met de nader op de zittingen gegeven toelichtingen voldoende nauwkeurig te werk is gegaan, alsmede voldoende inzicht heeft gegeven in de theoretische loonberekening. Nu eiseres geen volledige loonadministratie heeft gevoerd heeft eiseres het risico op zich genomen dat verweerder, die genoodzaakt is zonder de beschikking te hebben over exacte en betrouwbare gegevens de wettelijke regels toe te passen de verschuldigde premies bij benadering heeft vastgesteld aan de hand van een zo nauwkeurig mogelijke schatting. Bovendien heeft eiseres daartegen niets ingebracht door bijvoorbeeld een onderbouwde tegenberekening over te leggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit 1 in stand kan worden gelaten.
Namens eiseres is tegen dit besluit nog aangevoerd dat de premienota's uitsluitend zijn gebaseerd op een tweetal uitgevoerde waarnemingen. Vervolgens heeft verweerder deze gegevens geëxtrapoleerd naar eerdere jaren, zonder dat enige controle heeft plaatsgevonden op de juistheid van deze veronderstellingen. Eiseres ontkent ten stelligste dat er 8, respectievelijk 12 personen werkzaam waren bij [naam restaurant]. Om die reden dienen de premienota' s te worden verminderd, aldus eiseres. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Uit de verklaringen van de bedrijfsleider [naam bedrijfsleider] blijkt allereerst dat er gemiddeld 7 á 8 personen werkzaam waren in het restaurant. Op de drukste dagen van de week waren er gemiddeld tenminste 10 personen werkzaam, aldus [naam bedrijfsleider]. Uit de op respectievelijk 17 april,
20 november en 4 december 1998 gedane waarnemingen blijkt dat er respectievelijk 12, 16 en 15 personen werkzaam waren bij het restaurant [naam restaurant], terwijl er telkens slechts 8 personen aangemeld waren bij het GAK. Op grond van het vorenstaande komt het de rechtbank niet onredelijk voor dat verweerder uit is gegaan van een gemiddelde personeelsbezetting van respectievelijk 8 en 12 personen. Met betrekking tot het extrapoleren van deze gegevens naar eerdere jaren merkt de rechtbank op dat artikel 13 CSV verweerder de ruimte biedt om over voorgaande jaren premies vast te stellen. Nu over die jaren geen betrouwbare gegevens voorhanden zijn en het niet meer mogelijk is deze gegevens door bijvoorbeeld waarnemingen ter plaatse te vergaren kon verweerder in beginsel de gegevens over 1998 naar eerdere jaren extrapoleren. Dit wordt anders indien er aanwijzingen zijn dat dit tot een onredelijke of onjuiste schatting zou leiden. In casu is dat niet het geval aangezien eiseres niets heeft aangebracht waaruit zou blijken dat niet geëxtrapoleerd zou mogen worden. Nu bovendien uit de informatie van de Belastingdienst blijkt dat de jaarlijkse omzetgegevens van [naam restaurant] redelijk stabiel zijn geweest, neemt de rechtbank aan dat er geen grote schommelingen zijn geweest in de personeelsbezetting van [naam restaurant].
Voorts is namens eiseres gesteld dat verweerder nog immer gehouden is de tijdens de hoorzitting gedane toezegging, dat de looninspecteur een nadere toelichting zou verstrekken aan de gemachtigde van eiseres op het door hem ingediende looncontrolerapport, gestand te doen. De rechtbank is van oordeel dat de door de looninspecteur gedane toezegging inderdaad geen gestand is gedaan. Nu evenwel in het bestreden besluit 1 een toereikende berekening wordt gegeven van de berekeningswijze van de correctienota's en niet is gebleken dat eiseres er nadeel van heeft ondervonden dat deze uitleg eerst in het bestreden besluit afdoende is gegeven, leidt de handelwijze van de looninspecteur niet tot vernietiging van genoemd besluit.”

In hoger beroep is door appellante gemotiveerd bestreden het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen. Naar haar mening is het besluit van 24 oktober 2000 genomen in strijd met een goede procesorde, is bij de correctie over het jaar 1998 van een onjuiste maatstaf uitgegaan en was er geen grond om de correctie over 1998 te extrapoleren naar de jaren 1994 tot en met 1997.

De Raad volgt appellante hierin niet. Met de rechtbank is hij van oordeel dat met het opsporingsonderzoek toereikend is komen vast te staan dat er buiten de loonadministratie loon is uitbetaald en dat er op basis daarvan grond was om de verschuldigde premies ambtshalve vast te stellen. Bij dit laatste is, zoals de rechtbank al heeft overwogen, voldoende zorgvuldig te werk gegaan. Dat mogelijk de alsnog verschuldigde premies naar een te hoog bedrag zijn berekend komt voor rekening en risico van appellante. Dat appellante, naar zij heeft gesteld, door de politierechter is veroordeeld voor de tewerkstelling van slechts vijf illegale werknemers kan aan het vorenstaande niet afdoen. Voorts ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat aan een ambtshalve premievaststelling over de jaren 1994 tot en met 1997 de grondslag ontbreekt. De Raad sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen. Dat - vanzelfsprekend - geen waarnemingen hebben plaatsgevonden in die jaren, maakt dit niet anders. Dit geldt evenzeer voor de door appellante in geding gebrachte jaarrekeningen over die jaren. Met haar grief dat een goede procesorde is geschonden doelt appellante op de bij gelegenheid van de voorafgaand aan het bestreden besluit gehouden hoorzitting gedane toezegging om de looninspecteur te verzoeken contact op te nemen met de gemachtigde van appellante, welk contact niet heeft plaatsgevonden. Met de rechtbank acht de Raad geen rechtsgrond aanwezig het bestreden besluit hierom onrechtmatig te achten. In het looncontrolerapport van 25 februari 1999, waarover de gemachtigde van appellante beschikte, is voldoende inzichtelijk aangegeven welke uitgangspunten bij de schatting zijn gehanteerd. Appellante is dan ook niet in haar processuele belangen geschaad.

Het hiervoor overwogene leidt derhalve tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en prof. mr. E. Aardema als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x