Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AR4985
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Door tussenkomst van de curator is finale kwijting verleend. Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens verval van procesbelang.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/1460 CSV en 02/1515 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant 1], wonende te [woonplaats], en [appellant 2], wonende te [woonplaats], appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluiten van 17 april 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellanten tegen besluiten van 7 december 1999, waarbij zij op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten, verschuldigd door [naam werkgever] over de jaren 1996 tot en met 1998.

De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraken van 24 januari 2002, registratienummers 00-5192 en 00-5195, de namens appellanten tegen die besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard, voorzover de beroepen de hoogte en de samenstelling van de gevorderde bedragen betreffen, deze besluiten in zoverre vernietigd, de beroepen voor het overige ongegrond verklaard, gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellanten en gelast dat het Uwv het door appellanten betaalde griffierecht vergoedt.

Appellanten zijn bij gemachtigde mr. J.J. van Deventer, advocaat te Haarlem, op bij aanvullende beroepschriften (met bijlagen) van 23 mei 2002 aangevoerde gronden van die uitspraken bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft verweerschriften, gedateerd 1 juli 2002, ingediend.

Bij brieven van 3 en 5 juli 2002 heeft mr. Van Deventer, voornoemd, de gronden van de hoger beroepen nader aangevuld.

Bij brieven van 9 juli 2004 heeft gedaagde enige vanwege de Raad gestelde vragen beantwoord.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 september 2004, waar appellanten niet zijn verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr. M.J. Lustenhouwer, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Ter zitting van de Raad is gebleken dat gedaagde ter zake van zijn vorderingen op appellanten als bestuurders van de gefailleerde bedrijven [naam werkgever] en [naam vennootschap], welke laatstgenoemde vennootschap (onder meer) de activa van [naam werkgever] had verworven, bij brief van 8 april 2003 de curator in het faillissement van [naam werkgever] - naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van deze curator mede namens de curator in het faillissement van [naam vennootschap] - heeft laten weten appellanten finale kwijting te verlenen na ontvangst van een bedrag van € 25.000,-. Dit bedrag heeft gedaagde ook ontvangen. Tevens is ter zitting van de Raad gebleken dat appellanten de door hen ingestelde beroepen bij de rechtbank Haarlem tegen besluiten strekkende tot handhaving van besluiten, waarbij zij hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de door [naam vennootschap] niet betaalde premies, hebben ingetrokken in verband met de totstandgekomen schikking.

Gezien deze gang van zaken en bij gebreke van enige toelichting hierop van de kant van appellanten kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat de door tussenkomst van de curator door gedaagde aan appellanten verleende finale kwijting het belang van appellanten bij een uitspraak op de door hen ingestelde hoger beroepen is komen te ontvallen.

Dit betekent dat appellanten in hun hoger beroepen niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroepen.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x