Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AR5723
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijkaansprakelijkstelling op grond van artikel 16a van de CSV van het betrokken tuinbouwbedrijf voor de door de co÷peratie over de jaren in geding onbetaald gelaten premies voor de sociale werknemersverzekeringen. Inlenersaansprakelijkheid. Bemiddeling tussen tuinders en Poolse vennootschappen (ook spolkaĺs genoemd). Schijnconstructie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2435 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft J.H.P.M. Raaijmakers, werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ĺs-Gravenhage op 20 maart 2002, registratienummer 00/11331, tussen partijen gewezen uitspraak (hierna: de aangevallen uitspraak).

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 juni 2004, waar namens appellante is verschenen J.H.P.M. Raaijmakers, voornoemd, en waar namens gedaagde zijn verschenen mr. M. Mulder en P.R.H. Min, beiden werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 29 december 1999 heeft gedaagde appellante ingevolge artikel 16a van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten verschuldigd over de jaren 1994 tot en met 1998 ter zake van werknemers die aan haar ter beschikking werden gesteld door de [naam co÷peratie] (hierna: [co÷peratie]). Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 augustus 2000 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Uit de gedingstukken blijkt - kort samengevat - het volgende beeld van de voor de onderhavige zaak relevante feiten en omstandigheden. Appellante exploiteert een tuinbouwbedrijf dat zich bezig houdt met het koelen, preparen en verwerken van bloembollen en knollen. Vanwege gebrek aan personeel heeft appellante door bemiddeling van [co÷peratie] contracten gesloten met een Poolse vennootschap (ook spolka genoemd), strekkende tot bewerking van bloembollen.

Gedaagde heeft de door appellante gehanteerde constructie als vals bestempeld op basis van de bevindingen uit een gezamenlijk onderzoek van zijn opsporingsdienst en de FIOD, de Economische Controle Dienst, de Belastingdienst Hoorn, de Arbeidsinspectie en de Politie Noord-Holland-Noord. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat appellante Poolse werknemers van [co÷peratie] heeft ingeleend.



De [co÷peratie]-constructie

In de bevindingen uit bovenbedoeld opsporingsonderzoek ziet de Raad met de rechtbank voldoende aanknopingspunten om de door [co÷peratie] gepresenteerde constructie niet te volgen. De Raad wijst daarbij met name op de in het van het opsporingsonderzoek opgemaakte proces-verbaal aangehaalde getuigenverklaringen, verslagen van telefoongesprekken tussen de tuinders en [co÷peratie] en bij [co÷peratie] aangetroffen administratieve bescheiden zoals door de tuinders ingezonden overzichten van door de Poolse werknemers gewerkte uren. Gedaagde heeft naar het oordeel van de Raad terecht geen zelfstandige betekenis toegekend aan de Poolse vennootschappen, anders dan dat die vennootschappen bestaan.



Inlening

Uit de gedingstukken blijkt dat [co÷peratie] zich feitelijk als een uitzendbureau voor Poolse werknemers heeft gedragen, zodat de Raad niet aan twijfel onderhevig acht dat de Poolse werknemers in fictieve dienstbetrekking tot [co÷peratie] stonden en met instandhouding van die dienstbetrekking door [co÷peratie] aan appellante werden uitgeleend. Gedaagde heeft in het bestreden besluit feiten vermeld op grond waarvan de Poolse werknemers worden geacht onder leiding of toezicht van appellante werkzaam te zijn geweest. De Raad acht het bestreden besluit op dit punt voldoende gemotiveerd. Voorts stelt de Raad vast dat uit de gedingstukken genoegzaam blijkt dat appellante aan [co÷peratie] mededeling deed van de door de Poolse werknemers gewerkte uren. Voorts blijkt dat de Poolse werknemers per uur werden betaald. Het afrekenen op basis van gewerkte uren vormt een belangrijke aanwijzing voor een situatie als bedoeld in artikel 16a van de CSV. Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad (zoals bijvoorbeeld verwoord in de uitspraak van 21 januari 1987, gepubliceerd in RSV 1987, 164) ligt het in situaties als de onderhavige op de weg van de inlener om aan te tonen dat geen sprake is geweest van inlening. Appellante heeft dat bewijs niet kunnen leveren.



De premieschuld

Uit het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [co÷peratie] op 23 november 1998 is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn. Op 9 december 1998 heeft gedaagde correctienotaĺs over 1994 tot en met 1997 aan [co÷peratie] verzonden. Gedaagde heeft vervolgens dwangbevelen doen uitvaardigen, welke zijn betekend aan de Officier van Justitie, van welke betekening melding is gemaakt in een regionaal dagblad. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de notaĺs nietig zijn en [co÷peratie] geen premie verschuldigd is, zodat appellante ten onrechte ingevolge artikel 16a CSV aansprakelijk wordt gesteld.

De Raad wijst er op dat de materiŰle premieschuld van een werkgever niet eerst ontstaat bij de premievaststelling, maar reeds ten tijde van de loonbetalingen. De Raad verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 16 april 1982, gepubliceerd in NJ 1982, 635. Voorts verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 juli 1999, gepubliceerd in RSV 1999, 250, in welke zaak premienotaĺs werden opgelegd nadat de primaire premieplichtige, een natuurlijke persoon, was overleden.

De Raad oordeelt in de onderhavige zaak op grond van het voorgaande dat [co÷peratie] wel degelijk premies verschuldigd was. Nu deze premies niet zijn betaald en [co÷peratie] daardoor van rechtswege in gebreke was, voorts enige betaling van de kant van [co÷peratie] evenmin te verwachten viel, reeds vanwege de financiŰle positie van de boedel ten tijde van het ophouden te bestaan, kon gedaagde naar het oordeel van de Raad tot aansprakelijkstelling van de inleners overgaan.

Appellante heeft de juistheid van het bedrag van de aansprakelijkstelling betwist. De Raad ziet, evenals de rechtbank, geen aanleiding de berekening voor onjuist te houden. Gedaagde heeft op basis van de zich onder de gedingstukken bevindende facturen van de Poolse vennootschap het aantal gewerkte uren berekend en vervolgens het brutoloon vastgesteld door het aantal uren te vermenigvuldigen met een uurloon van fl. 12,25. Gedaagde heeft hierbij, anders dan appellante stelt, geen brutering met het anoniementarief toegepast. De Raad volgt appellante evenmin in de stelling dat gedaagdes berekening bij een 40-urige werkweek resulteert in een te hoog weekloon, nu appellantes bedrijfsleider heeft verklaard dat soms door bepaalde personen meer dan 100 uur in de week gewerkt werd. De Raad is ook overigens niet gebleken dat appellante tot een te hoog bedrag aansprakelijk is gesteld.

Met betrekking tot het gestelde ten aanzien van de bestuurders van [co÷peratie] overweegt de Raad dat gedaagde niet nagelaten heeft bestuurders aansprakelijk te stellen. Gedaagde heeft aangegeven dat de liquiditeitspositie van [co÷peratie] en haar (ex-)bestuurders onderdeel is geweest van het onderzoek, hetgeen naar het oordeel van de Raad niet onzorgvuldig kan worden genoemd.



Talmen

Appellante stelt dat gedaagde heeft getalmd met aansprakelijkstelling van de bestuurders van [co÷peratie] en appellante. Appellante stelt zich in dat verband op het standpunt dat gedaagde reeds in 1995 op de hoogte was van de opzet van [co÷peratie] en maatregelen had dienen te nemen teneinde het oplopen van premieschulden te voorkomen. Appellante heeft aan het stilzitten van gedaagde het vertrouwen ontleend dat gedaagde de opzet en werkwijze van [co÷peratie] accepteerde. Voorts meent appellante dat de aansprakelijkstelling dient te worden vernietigd dan wel te worden gematigd wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb 1951, 154; hierna: het EVRM). De Raad volgt appellante niet in deze stellingen.

De Raad stelt voorop dat appellante zelf erop toe had moeten zien dat zij niet als inlener hoofdelijke aansprakelijk zou worden gesteld. Zij had zich er van dienen te vergewissen dat de terbeschikkingstelling van werknemers geschiedde met gebruikmaking van een aan de uitlener verleende vergunning. Voorts diende appellante bij gedaagde aangifte te doen van de inlening van werknemers. Slechts indien aan beide voorwaarden is voldaan blijft aansprakelijkstelling achterwege. Van een plicht van de zijde van gedaagde tot het beperken van premieplicht is in deze regelgeving geen sprake en het bestaan van een dergelijke plicht spoort naar het oordeel van de Raad niet met de hiervoor beschreven systematiek, die een actieve opstelling van de inlener vraagt, bij gebreke waarvan de inlener het risico van aansprakelijkstelling draagt. De Raad wijst er voorts op dat gedaagde geen mededelingen jegens appellante heeft gedaan welke een beroep op het vertrouwensbeginsel kan rechtvaardigen, waarbij de Raad nog opmerkt dat bij gedaagde niet te allen tijde het overzicht en de mogelijkheden heeft (kunnen) bestaan.

Met betrekking tot de door appellante opgeworpen vraag of gedaagde heeft getalmd met aansprakelijkstelling, overweegt de Raad het volgende. Gedaagde heeft aangegeven dat het onderzoek naar [co÷peratie] in september 1997 is aangevangen. Uit de gedingstukken blijkt dat sedert november 1997 telefoontaps hebben plaatsgevonden en faxen inzake urenregistratie aan [co÷peratie] werden onderschept, zodat de Raad geen aanleiding heeft te veronderstellen dat gedaagde reeds voor september 1997 bekend moet zijn geweest met de praktijken van [co÷peratie]. Uit de stukken blijkt voorts niet dat het onderzoek niet voortvarend is geweest. Medio 1998 werden getuigen gehoord en in november 1998 vonden de verhoren van verdachten (bestuurders van [co÷peratie]) plaats. Vervolgens heeft gedaagde een looncontrole uitgevoerd bij [co÷peratie], van welke controle in het rapport van 20 november 1998 verslag werd gedaan. Kort daarna, op 9 december 1998, werden notaĺs aan [co÷peratie] verzonden. Daarna hebben gedaagde en de Belastingdienst controles uitgevoerd bij de inleners van [co÷peratie]. Ter zake van het onderzoek bij appellante heeft gedaagdes buitendienstmedewerker Looninspectie 17 mei 1999 gerapporteerd, waarna gedaagde bij brief van 19 november 1999 de aansprakelijkstelling heeft aangekondigd. Met name gezien de omvang van het onderzoek, ziet de Raad geen aanknopingspunt voor de stelling dat gedaagde niet voortvarend genoeg zou hebben gehandeld.

Tot slot overweegt de Raad dat gezien de omvang en complexiteit van de onderhavige zaak geen sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x