Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AR6848
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van correctie- en boetenota's over de jaren in geding. Is er sprake van opzet en/of grove schuld? In de administratie van het uitzendbureau heeft de looninspecteur voor wat betreft het controlejaar 1999 geen afschriften van documenten als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aangetroffen. Terechte brutering van de inhouding van de loonheffing met het 60%-tarief.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/132 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

Uitzendbureau [naam uitzendbureau], gevestigd te [vestigingplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft gedaagde gedeeltelijk gegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 20 april 2001 en 30 april 2001, inhoudende correctienota’s over de jaren 1998 tot en met 2000 en boetenota’s over de jaren 1998 en 1999.

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 12 december 2002 onder kenmerk 01/4162 het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. I.J. Janssens, advocaat te ’s-Gravenhage, van die uitspraak bij de Raad op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 oktober 2004, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I.J. Janssens, voornoemd, die werd bijgestaan door S. Gunay, en waar voor gedaagde is verschenen mr. M.J. Lustenhouwer, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Naar aanleiding van een namens appellante bij gedaagde ingediend verzoek om deblokkering van haar depotsaldi heeft er bij appellante een gericht deelonderzoek plaatsgevonden, van welk onderzoek op 22 december 2000 een looncontrolerapport is opgemaakt. Bij dit onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat appellante ten aanzien van een zevental werknemers in 1999 niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 90, derde lid, van de Organisatiewet Sociale Verzekering 1997, hierna: Osv 1997, (thans artikel 55, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen). In de administratie van appellante heeft de looninspecteur van gedaagde voor wat betreft het controlejaar 1999 geen afschriften van documenten als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (WID) aangetroffen. Dientengevolge heeft gedaagde het totale netto loon gebruteerd met een loonheffing naar een tarief van 60%, welk tarief appellante als inhoudingsplichtige op grond van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 had moeten toepassen in verband met het ontbreken van een afschrift van de vereiste documenten.
Voorts heeft gedaagde een correctienota over het jaar 2000 opgelegd ter zake van betalingen die als loon dienen te worden aangemerkt en waarover geen loonheffing heeft plaatsgevonden. In het besluit op bezwaar van 30 oktober 2001 heeft gedaagde geoordeeld dat ter zake van de opgelegde boetenota’s over de jaren 1998 en 1999 dient te worden uitgegaan van het plegen van een vergrijp waarvoor een boete wordt opgelegd van 25% van het verschuldigde bedrag aan premie.

Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat, nu vaststaat dat appellante niet aan haar verplichting heeft voldaan op grond van de WID en zij er niet in is geslaagd aan te tonen dat van schending geen sprake was, gedaagde bevoegd was om bij de brutering toepassing te geven aan het 60%-tarief van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, nu appellante in 1998 en 1999 zonder inhouding en afdracht van loonbelasting, premie volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen loonbetalingen aan niet nader aangeduid personeel heeft gedaan, de loonbetalingen zijn gedaan onder omstandigheden die verhaal van de ten onrechte achterwege gebleven inhoudingen door appellante op de betrokkenen bij voorbaat uitsluiten, appellante het netto uitbetaald loon terecht heeft herleid tot het premieloon werknemersverzekeringen. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet de fiscale naheffing in het kader van de vraag of mag worden gebruteerd het onderscheidend criterium is, doch de (on)mogelijkheid van verhaal door de werkgever op de werknemer van de ten onrechte niet gepleegde inhoudingen.

In hoger beroep bestrijdt appellante dat zij niet heeft voldaan aan de meergenoemde verplichting uit hoofde van de WID, nu de desbetreffende afschriften van de identificatiedocumenten ten tijde van de looncontrole op het bedrijf van appellante aanwezig waren doch de looninspecteur tijdens de controle niet heeft verzocht om inzage van die documenten.

De Raad kan appellante hierin niet volgen.

Op grond van de bevindingen van gedaagdes looninspecteur is naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichting ingevolge de WID om een afschrift van het identiteitsbewijs van de werknemer in de loonadministratie op te nemen, nu noch ten kantore van appellante noch bij de externe accountant van appellante de vereiste afschriften van de documenten in de loonadministratie zijn aangetroffen. De Raad overweegt dienaangaande dat het er bij de verplichting van artikel 90, derde lid, van de Osv 1997 om gaat of de werkgever een afschrift van het vereiste document in zijn loonadministratie heeft opgenomen.
In dit kader hecht de Raad waarde aan het feit dat appellante ervan op de hoogte was dat een controle van de loonadministratie zou plaatsvinden, nu gedaagde het onderzoek naar aanleiding van een tweetal verzoeken, ingediend door appellante, heeft aangekondigd. Tijdens dit onderzoek heeft de looninspecteur zowel het bedrijf van appellante als de externe accountant van appellante bezocht. De Raad is van oordeel dat gedaagde er na de voornoemde aankondiging van uit mocht gaan dat appellante de looninspecteur een complete loonadministratie ter inzage zou aanbieden. Te dezen acht de Raad voorts van belang dat de looninspecteur bij raadpleging van de administratie van appellante wel kopieën van identiteitsbewijzen heeft aangetroffen van enkele werknemers over het jaar 1998, waaruit de Raad afleidt dat tijdens de controle in ieder geval een gerichte controle van identiteitsbewijzen door de looninspecteur heeft plaatsgevonden. Bovendien is de Raad gebleken dat appellante noch naar aanleiding van het afrondende gesprek dat de looninspecteur had met de gemachtigde van appellante, noch naar aanleiding van het appellante toegezonden looncontrolerapport heeft geageerd tegen de conclusie van de looninspecteur dat sprake was van anonieme werknemers in 1999, zodat de Raad niet aannemelijk acht dat de desbetreffende afschriften van de identiteitsdocumenten ten tijde van het onderzoek in de loonadministratie waren opgenomen.

De Raad is gelet op het voorgaande van oordeel dat gedaagde het netto loon over 1999 van de werknemers ten aanzien waarvan appellante niet beschikte over een afschrift van de vereiste documenten voor de inhouding van de loonheffing op juiste gronden met het tarief van 60% heeft gebruteerd, welk tarief appellante als inhoudingsplichtige op grond van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 had moeten toepassen.

Voorts heeft appellante in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte is geoordeeld dat in de jaren 1998 en 1999 sprake was van voordeel uit dienstbetrekking ter zake van niet-ingehouden loonheffing. Blijkens het looncontrolerapport heeft appellante buiten de loonadministratie betalingen verricht aan werknemers, op welke betalingen geen loonheffing is ingehouden.

De Raad is van oordeel dat op het moment dat de werkgever zich er van bewust wordt dat een loonbetaling aan een werknemer is gedaan, zonder dat de daarop verschuldigde loonheffing is ingehouden, in casu ten tijde van de looncontrole in 2000, sprake is van een uit dienstbetrekking genoten voordeel ter zake van deze loonheffing. Naar aanleiding van de stelling van appellante dat de Belastingdienst over de jaren 1998 en 1999 niet heeft nageheven, oordeelt de Raad dat, zolang de Belastingdienst niet heeft besloten om af te zien van naheffing, er sprake is van voordeel uit dienstbetrekking ter zake van de loonheffing. Dientengevolge heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht het netto uitbetaalde loon herleid tot het premieloon werknemersverzekeringen. De Raad acht in dit kader van belang dat van de kant van het bestuursorgaan is aangegeven dat, indien de Belastingdienst alsnog besluit geen naheffingsaanslagen op te leggen, de opgelegde correctienota’s over de voornoemde jaren ambtshalve door gedaagde zullen worden ingetrokken.

Aan de oplegging van de boetenota’s ligt het standpunt van gedaagde ten grondslag dat het niet volledig voldoen aan de in artikel 10 van de CSV bedoelde verplichting tot het doen van loonopgave in het onderhavige geval het gevolg is van opzet en/of grove schuld. De Raad is van oordeel dat appellante behoorde te weten dat zij afschriften van identiteitsdocumenten van werknemers in de loonadministratie diende op te nemen en zich ervan bewust had moeten zijn dat de netto betalingen aan werknemers aangemerkt dienden te worden als loon waarover loonheffing verschuldigd was. Voorzover zij daaraan twijfelde had het in de gegeven omstandigheden op haar weg gelegen om zich tot gedaagde te wenden met een verzoek om informatie. Door dit na te laten heeft appellante willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij verwijtbaar in verzuim was. Gelet op deze omstandigheid heeft appellante terecht opzet of grove schuld aangenomen.

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Renden.




Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x