Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AR7265
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-12-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van een correctie- en een boetenota na een looncontrole bij het betrokken horecabedrijf. Is de gecumuleerde wijze van berekening van de premies juist? Is er sprake van opzet en/of grove schuld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1422 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. B.N. Kloostra, advocaat te Groningen, op bij aanvullend beroepschrift en nader bij brief van 1 april 2004, met bijlage, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de rechtbank Groningen op 13 februari 2003 onder kenmerk 01/903 gewezen uitspraak. Bij brieven van 12 juni 2003 en 8 oktober 2004 heeft appellante nog stukken in het geding gebracht.

Gedaagde heeft een, bij brief van 6 februari 2004 aangevuld, verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 oktober 2004, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Kloostra, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. F. Verhaart, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante exploiteert sedert 26 februari 1998 een cafÚ en een cafÚ-restaurant. In het tijdvak van 19 november tot en met 3 december 1999 heeft een looncontrole plaats gevonden. Hierbij is geconstateerd dat werkbriefjes (met de gewerkte uren) in de loonadministratie ontbraken. De meeste medewerkers zijn in de loonadministratie als hulpkrachten in de zin van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de horeca- en aanverwante bedrijven (Horeca-CAO) verantwoord. Op deze medewerkers betrekking hebbende werkroosters waren evenmin in de administratie aanwezig. Wekelijks vonden aan deze werknemers kasbetalingen plaats; niettemin heeft appellante voor de inhoudingen de zogenaamde vierwekentabel toegepast. Van sommige medewerkers is geen loonbelastingverklaring aangetroffen. De aan twee koks verstrekte warme maaltijden zijn door appellante niet in de inhouding van de premies werknemersverzekeringen betrokken. Van een aantal werknemers ontbrak een kopie van een op grond van de Wet op de identificatieplicht (WID) toegelaten identiteitsbewijs.

Deze constateringen hebben geleid tot een correctienota van 22 september 2000 waarbij over 1998 premies werknemersverzekeringen van appellante zijn nageheven. Tevens heeft gedaagde bij besluit van 27 september 2000 een boete ad 25% opgelegd. Het tegen die besluiten gerichte bezwaar is bij het bestreden besluit van 13 september 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 13 september 2001 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

De klacht van appellante dat het onderzoek vanwege gedaagde onzorgvuldig is geweest, nu de start daarvan is gelegen in door twee van haar ex-werknemers afgelegde verklaringen, terwijl de personalia van deze werknemers tot in het geding in hoger beroep onleesbaar waren gemaakt, faalt, reeds omdat, anders dan appellante in dit verband heeft aangevoerd, de besluitvorming van gedaagde niet op deze verklaringen, maar op de resultaten van de looncontrole is gebaseerd.

Voorts heeft appellante op verschillende gronden betoogd dat gedaagde een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 3 van het Fooienbesluit (Besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 21 december 1989, Stcrt. 1989, 252). Ook dit betoog faalt. De Raad volstaat met de verwijzing naar zijn uitspraak van 22 juli 2004, USZ 2004, 301.

De stelling van appellante dat een groot deel van haar werknemers als hulpkracht werkzaam was, volgt de Raad niet.

De beloning van hulpkrachten vormt een uitzondering op de reguliere, aan functiegroepindeling gekoppelde minimumbeloning volgens de Horeca-CAO. De administratie van appellante omvat niet een toereikend aantal gegevens om te kunnen nagaan of de uitzondering waarop zij zich beroept, zich heeft voorgedaan. Dat komt voor haar rekening en risico. Appellante erkent dat zij hulpkrachten wekelijks voor hun werk betaalde; dat deze betalingen voorschotten waren is door haar niet aannemelijk gemaakt.

In de herberekening van het premieplichtige loon heeft gedaagde terecht de aan de koks van appellante verstrekte warme maaltijden betrokken. Of de koks gedurende het gehele hiervan belang zijnde tijdvak aan de Horeca-CAO dan wel hun individuele arbeidsovereenkomst aanspraak op de verstrekking van deze maaltijden konden ontlenen, is daarbij, anders dan appellante meent, niet van belang, nu de maaltijden feitelijk zijn verstrekt. Dat de koks een vergoeding voor de maaltijden hebben betaald is door appellante niet aangetoond.

De Raad kan zich in grote lijn vinden in de verwerping door de rechtbank van de tegen de toepassing van het zogenaamde anoniementarief gerichte grond. In de administratie van appellante ontbraken immers van sommige werknemers afschriften van door de WID toegelaten identiteitsbewijzen. Tot die toegelaten bewijzen behoort niet een rijbewijs. Als de Belastingdienst, zoals appellante stelt, ten tijde van belang het gebruik van een rijbewijs al zou accepteren, dan is gedaagde, die in deze over een eigen bevoegdheid beschikt, daaraan niet gebonden. Het in beroep alsnog overleggen van kopieŰn van paspoorten doet, daargelaten dat een deel van die paspoorten eerst in de loop van 1998 of zelfs nadien is afgegeven, aan het vorenstaande niet af.

Gelet op het vorenstaande en artikel 26 b van de Wet op loonbelasting 1964 acht de Raad de gecumuleerde wijze van berekening van de premies dan ook niet onjuist.

De Raad onderschrijft tevens de overwegingen in de aangevallen uitspraak waarmee het betoog van appellante dat van opzet of grove schuld geen sprake is, is verworpen.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt, op bovenvermelde gronden, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor de toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2004.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) W.J.M. Fleskens.




Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, vierde tot en met achtste lid, 4 tot en met 8 en de op die artikelen berustende bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x