Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AR8548
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-12-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van correctienota's over de jaren in geding. Is terecht vanwege het ontbreken van een deugdelijke en betrouwbare boekhouding overgegaan tot het schatten van het premieloon en is deze schatting als niet onredelijk aan te merken?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/193 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijke instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. T.J. Wolt, werkzaam bij BDO Walgemoed CampsObers accountants te Hengelo, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2000, kenmerk 98/6533.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 18 november 2004, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Bij appellante is in het kader van een bijzondere actie van het Regionaal Interdisciplinair Fraudeteam (RIF) een looncontrole uitgevoerd, waarbij de administratie van appellante is onderzocht en diverse taxichauffeurs zijn gehoord. Naar aanleiding van de resultaten van deze controle, die zijn neergelegd in het looncontrolerapport van 26 september 1994, heeft gedaagde aan appellante correctienota’s over de jaren 1992 en 1993 opgelegd. Deze correctienota’s heeft gedaagde bij besluit op bezwaar van 10 juli 1998 gehandhaafd, met dien verstande dat uitgegaan moet worden van een kleiner aantal diensten dat per jaar op een volledig rooster wordt gereden. Naar aanleiding hiervan zouden de nota’s neerwaarts worden bijgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 juli 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de conclusies van het RIF gevolgd dat appellante met betrekking tot de jaren 1992 en 1993 niet of niet volledig heeft voldaan aan haar verplichting tot loonopgave en dat de feitelijke loonbetalingen aan chauffeurs niet of niet juist in de loonadministratie zijn verwerkt. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op basis van in processen-verbaal vastgelegde verklaringen van (ex-)werknemers. De rechtbank acht het voorts juist dat gedaagde vanwege het ontbreken van een deugdelijke en betrouwbare boekhouding is overgegaan tot het schatten van het premieloon, welke schatting bovendien door de rechtbank als niet onredelijk is aangemerkt.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de in de processen-verbaal opgenomen verklaringen onvoldoende basis bieden voor de conclusie dat de feitelijke loonbetalingen niet of niet juist zijn verantwoord in de loonadministratie. Daarnaast kan appellante zich niet verenigen met de extrapolatie van de onderzoeksgegevens. Ook is zij het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat gedaagde bij zijn schatting uit mocht gaan van een zogenoemd uitvalpercentage van 2% (uitval van diensten als gevolg van ziekte van werknemers en reparatie en/of onderhoud van auto’s) dat op het geschatte premieloon in mindering is gebracht.

De Raad kan zich met het oordeel van de rechtbank verenigen dat de verklaringen van [naam betrokkenen] voldoende basis bieden om ten aanzien van appellante vast te stellen dat de aan de chauffeurs uitbetaalde lonen over de jaren 1992 en 1993 geheel of gedeeltelijk buiten de loonadministratie zijn gehouden en dat deze lonen niet juist of niet volledig aan gedaagde zijn opgegeven. Evenals de rechtbank maakt de Raad uit die verklaringen op dat bij appellante sprake was van een pachtsysteem en dat bij appellante rittenkaarten en dergelijke niet juist werden ingevuld. Nu uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat bij appellante exacte en betrouwbare loongegevens ontbraken, kon gedaagde de premies bij benadering vaststellen aan de hand van een schatting. De Raad is verder met de rechtbank van oordeel dat gedaagde voldoende nauwkeurig en voldoende inzichtelijk het premieloon over de jaren 1992 en 1993 heeft geschat. Gedaagde heeft de premielonen over de jaren 1992 en 1993 berekend aan de hand van het aan appellante uitgegeven rooster dat - zoals ook door appellante in bezwaar is erkend - ten tijde hier in geding - voorzag in 152 diensten per 12 weken. De Raad stelt daarmee vast dat hier geen sprake is van extrapolatie van onderzoeksgegevens naar andere jaren, zodat appellantes grief op dit punt niet kan slagen. De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde bij zijn schatting uit mocht gaan van een zogenoemd uitvalpercentage van 2%. Appellante heeft geen gegevens overgelegd waarmee haar stelling dat dit percentage onjuist zou zijn, kan worden gestaafd. De Raad merkt bovendien nog op dat een te hoge schatting bij het ontbreken van een juiste administratie geheel voor risico van appellante komt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de correctienota’s kunnen worden gehandhaafd en dat de aangevallen uitspraak derhalve voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 december 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x