Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AR8563
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-12-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van correctie- en boetenota's over de jaren in geding. Bestrijdt het UWV terecht dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat er geen sprake is van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde uitlatingen van de zijde van de looninspecteur omtrent de aanvaardbaarheid van de in de praktijk door het betrokken bedrijf gehanteerde autoaankoopregeling van nieuwe auto's voor het personeel? Is de hoogde van de opgelegde boete juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/988 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluiten van 5 juli 2001 heeft appellant correctienota’s over 1997 tot en met 1999 aan gedaagde gezonden en bij besluiten van 10 juli 2001 zijn boetenota’s over die jaren verzonden.

Bij besluit op bezwaar van 4 maart 2002 (verder te noemen: het bestreden besluit) is het bezwaar tegen genoemde besluiten ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 3 februari 2003, geregistreerd onder nummer 02/1668, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de bezwaren van gedaagde alsnog gegrond verklaard en de besluiten van 5 juli 2001 en 10 juli 2001 herroepen, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten.

Appellant heeft op daartoe nader aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 november 2004. Appellant is daar niet verschenen, zoals tevoren was aangekondigd. Namens gedaagde zijn verschenen mr. M. Doets, advocaat te Amsterdam, en mr. E.E. Schotte, belastingadviseur bij Loyens & Loeff te Amsterdam.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

In 1998 heeft een looninspecteur van appellant een looncontrole bij gedaagde uitgevoerd over de jaren 1993 tot en met 1997. Bij die controle is de aankoopregeling van nieuwe auto’s van gedaagde voor haar personeel onderwerp van gesprek geweest. In het ter zake opgemaakte looncontrolerapport van 30 september 1998 is vermeld: “Tegen deze regelingen bestaat naar mijn mening geen bezwaar mits niet wordt overschreden wat door het gezin van de werknemer gebruikelijk is om te besteden.”
In 1999 heeft de Belastingdienst tijdens een controle bij gedaagde omtrent de aankoopregeling vastgesteld dat de omvang van de aankopen uitgaat boven de normale gezinsconsumptie en dat niet ten minste de integrale kostprijs wordt betaald. Na ontvangst van het controlerapport van de Belastingdienst heeft de looninspecteur correctieberekeningen gemaakt, op basis waarvan de besluiten van 5 juli 2001 zijn verzonden. Ten aanzien van de boetenota’s stelt appellant zich op het standpunt dat geen sprake is van opzet of grove schuld en dat een verhoging van 5% is aangewezen omdat sprake is van een tweede overtreding. Bij het bestreden besluit heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het uit de autoaankoopregeling voortvloeiende voordeel voor de werknemer is aan te merken als loon in de zin van artikel 4 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Het bestreden besluit kan echter naar het oordeel van de rechtbank geen stand houden omdat de aankoopregeling in het rapport van 30 september 1998 volledig is vermeld en uitdrukkelijk is geaccepteerd. In het licht van het looncontrolerapport van 30 september 1998 en de daarop gebaseerde premienota’s mocht gedaagde erop vertrouwen dat appellant de voordelen uit de aankoopregeling niet als premieplichtig loon beschouwde. Appellant heeft volgens de rechtbank gehandeld in strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel door de in het verleden vastgestelde premies met terugwerkende kracht te corrigeren ten nadele van gedaagde.

Appellant heeft in hoger beroep bestreden dat er sprake zou zijn van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde uitlatingen van de zijde van de looninspecteur omtrent de aanvaardbaarheid van de in de praktijk door gedaagde gehanteerde autoaankoopregeling.

De Raad overweegt als volgt.

Gedaagde betwist niet dat sprake is van loon als bedoeld in artikel 4 CSV, nu gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Ook de Raad acht dit een juist uitgangspunt. Primair dient de Raad te beoordelen of de rechtbank terecht het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel heeft gehonoreerd.

In een uitspraak van 21 oktober 2004 (LJN AR4583) heeft de Raad onder meer het volgende overwogen:
“Wil in zaken als de onderhavige een beroep op het vertrouwensbeginsel kunnen slagen, dan is vereist dat kan worden gesproken van een ondubbelzinnig opgewekt, gerechtvaardigd vertrouwen (CRvB 7 april 1993, RSV 1994/38). Wil uit het feit dat een looninspecteur geen bezwaren maakt tegen het ontbreken van inhoudingen een dergelijk vertrouwen kunnen worden afgeleid, dan is tenminste reeds vereist dat de looninspecteur op de hoogte was van alle relevante feiten (CRvB 8 maart 1995, RSV 1995/184).”

Voor de Raad staat vast dat de looninspecteur de autoaankoopregeling onder ogen heeft gehad. Voor de Raad staat echter ook vast dat de looninspecteur in 1998 geen ongeclausuleerde uitlatingen heeft gedaan op basis waarvan bij gedaagde het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontstaan dat de autoaankoopregeling niet zou leiden tot naheffing van premies. De bewoordingen van de looninspecteur over de autoaankoopregeling in het looncontrolerapport van 30 september 1998 laten naar het oordeel van de Raad geen andere conclusie toe dan dat de looninspecteur geen concreet oordeel over de aankoopregeling van gedaagde heeft uitgesproken, maar zich heeft beperkt tot het vermelden van de voorwaarde waaraan de toepassing van de aankoopregeling dient te voldoen, zonder zich erover uit te laten of in dit geval aan die voorwaarde is voldaan. Geen rechtsbeginsel verzet zich aldus naar het oordeel van de Raad tegen het alsnog heffen van premies over het door het personeel van gedaagde genoten voordeel uit de aankoopregeling.

Het voorgaande betekent dat de Raad het oordeel van de rechtbank niet onderschrijft en zich alsnog dient uit te laten over de door gedaagde bij de rechtbank aangevoerde grieven tegen de opgelegde boetes. Deze grieven komen erop neer dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt dan wel dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

De Raad onderschrijft niet de stelling van gedaagde dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt. Gelet echter op de hiervoor weergegeven gang van zaken omtrent de looncontrole in 1998, de wijze waarop de looninspecteur een voorbehoud heeft gemaakt bij de autoaankoopregeling en het feit dat binnen korte tijd na de looncontrole geen naheffing van premies terzake van de aankoopregeling heeft plaatsgevonden, komt de Raad tot het oordeel dat de verweten gedraging gedaagde slechts in beperkte mate kan worden verweten. Gelet op het bepaalde in artikel 17, derde lid, sub c, van het Besluit Toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stcrt. 2002, 141) dienen de opgelegde boetes dan ook te worden gehalveerd.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het bezwaar tegen de besluiten van 5 juli 2001 gegrond is verklaard en die besluiten zijn herroepen en is bepaald dat die uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit, geen stand kan houden. De Raad zal, toepassing gevend aan het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht voorts de hoogte van de bij de besluiten van 10 juli 2001 opgelegde boetes halveren.

In het voorgaande ziet de Raad aanleiding appellant te veroordelen tot de kosten die gedaagde in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 322,-- in verband met verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het bezwaar tegen de primaire besluiten van 5 juli 2001 gegrond is verklaard en die besluiten zijn herroepen en voor zover is bepaald dat de aangevallen uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat de door appellant bij besluiten van 10 juli 2001 aan gedaagde opgelegde boetes worden gehalveerd;
Veroordeelt appellant tot betaling van de proceskosten van gedaagde, begroot op € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x