Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AS2617
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijkaansprakelijkstelling op grond van artikel 16d van de CSV van betrokkene voor de door de BV over de jaren in geding onbetaald gelaten premies voor de sociale werknemersverzekeringen. Er zijn geen redenen gevonden om tot matiging van de aansprakelijkheidsstelling over te gaan.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/435 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. C.F.W.A. Hamm, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 december 2002 met kenmerk 00/1849.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien heeft appellant nog nadere stukken ingezonden. Mr. P. Garretsen, advocaat te ís-Gravenhage, heeft zich bij brief van 18 november 2004 als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Garretsen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Rusman, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant was vanaf de oprichting op 7 februari 1994 tot 25 februari 1998 bestuurder van [naam bedrijf] (hierna: [B.V.]). Binnen [B.V.] was hij werkzaam als technisch directeur. Zijn zoon [zoon] en [financieel directeur] ([financieel directeur]) waren vanaf 12 september 1995 respectievelijk technisch en financieel directeur. Met ingang van 20 maart 1998 is [B.V.] in staat van faillissement verklaard. De curator heeft appellant op 19 maart 2001 in het kader van de Wet bestuurdersaansprakelijkheid bij Faillissementen (WBF) aansprakelijk gesteld voor het tekort uit het faillissement.Tevens is appellant op grond van artikel 36, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor de naheffingsaanslag omzetbelasting ter hoogte van f 136.307,--.

Bij besluit van 15 juni 1999 heeft gedaagde met toepassing van artikel 16d van de CoŲrdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) appellant als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door [B.V.] verschuldigde en onbetaald gebleven sociale verzekeringspremie over de jaren 1994 tot en met 1997, tot een bedrag van f 131.610,29.

Gedaagde heeft bij besluit van 25 augustus 2000 de bezwaren tegen dit besluit ongegrond verklaard. Zoals blijkt uit dat besluit stelt gedaagde zich op het standpunt dat [B.V.] de betalingsonmacht niet tijdig aan gedaagde heeft gemeld, waarmee het wettelijke vermoeden is gegeven dat de premieschulden van [B.V.] onbetaald zijn gebleven wegens aan appellant te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Appellant is in staat gesteld dit vermoeden te weerleggen aangezien het ontbreken van een rechtsgeldige melding betalingsonmacht niet aan hem te wijten is. Daarin is hij volgens gedaagde niet geslaagd.
Onder verwijzing naar het eerste faillissementsrapport van de curator en de rapportages van de Belastingdienst en gedaagde betreffende de Wet Bestuurdersaansprakelijkheid heeft gedaagde in het besluit op bezwaar gewezen op de tekortkomingen op het gebied van de prijscalculaties voor de machinebouwopdrachten en de gevolgen hiervan voor de financiŽle positie van [B.V.], op de overwaardering van debiteuren en het onderhanden werk op de balans waardoor een onjuist beeld is geschapen van de financiŽle situatie van [B.V.], op het feit dat appellant eind 1997 een lucratieve opdracht aan [B.V.] heeft onthouden en heeft ondergebracht bij zijn eigen B.V. en ten slotte op het zonder zakelijke redenen onttrekken van gelden aan [B.V.] voor privť-doeleinden.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 25 augustus 2000 ongegrond verklaard. Zij was van oordeel dat gedaagde appellant op goede gronden hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de door [B.V.] verschuldigde premies.

In hoger beroep heeft appellant dit oordeel gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 16d, eerste lid, van CSV is hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is, voorzover het aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen, ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het lichaam als bedoeld in het eerste lid verplicht is, onverwijld nadat is gebleken dat het niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling te doen aan het uitvoeringsorgaan en, indien het uitvoeringsorgaan dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen.
Indien het lichaam op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is ingevolge het derde lid een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is dat het niet betalen van de premie of voorschotpremie het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar, voorafgaand aan het tijdstip van de mededeling. Op grond van het vierde lid is, indien het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, een bestuurder op voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk met dien verstande, dat vermoed wordt dat de niet-betaling aan hem is te wijten, en dat de periode van drie jaar wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is.

De Raad stelt voorop dat hij appellant niet kan volgen in zijn opvatting dat gedaagde niet bevoegd was om appellant hoofdelijk aansprakelijk te stellen op grond van artikel 16d van de CSV, aangezien de curator appellant aansprakelijk heeft gesteld voor het tekort in het faillissement van [B.V.] waarvan de vordering van gedaagde deel uitmaakt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen rechtsregel valt aan te wijzen op grond waarvan samenloop van beide vorderingen uitgesloten zou zijn. Ook in de jurisprudentie, waaronder het door appellant vermelde arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 2001, NJ 2001, 94 is geen steun te vinden voor deze opvatting van appellant.

De Raad is voorts, anders dan appellant heeft aangevoerd en met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een rechtsgeldige melding betalingsonmacht als bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de CSV. Bij dit oordeel heeft de Raad het volgende in aanmerking genomen.

Op 23 september 1997 heeft appellant een melding betalingsonmacht gedaan. Vervolgens is tussen gedaagde en de heer Van Luyn namens [B.V.] correspondentie gevoerd, welke heeft geresulteerd in een betalingsregeling. Bij brief van 20 november 1997 aan [B.V.] heeft gedaagde onder verwijzing naar de gemaakte afspraken meegedeeld dat de melding betalingsonmacht van 23 september 1997 niet verder in behandeling wordt genomen. Van de zijde van appellant is op 5 december 1997 schriftelijk te kennen gegeven dat de melding wordt gehandhaafd tot de hele vordering is voldaan. In antwoord daarop heeft gedaagde bij brief van 15 december 1997 aan appellant meegedeeld dat de melding is vervallen omdat voor de openstaande vorderingen een betalingsregeling is getroffen. Indien hij in de toekomst termijnen van notaís niet op tijd kan betalen of de betalingsregeling niet kan nakomen, moet hij opnieuw een melding betalingsonmacht doen. Het voorgaande laat geen andere conclusie toe dan dat [B.V.] niet op de juiste wijze aan zijn verplichting als bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de CSV heeft voldaan. De omstandigheid dat gedaagde op de hoogte was van de betalingsmoeilijkheden van [B.V.] maakt dit niet anders.

Met deze vaststelling is op grond van artikel 16d, vierde lid, van de CSV het wettelijke vermoeden gegeven dat de niet-betaling van de premies aan appellant is te wijten.

Gedaagde heeft aanleiding gevonden om appellant toe te laten tot het weerleggen van het wettelijke vermoeden dat de niet-betaling van de verschuldigde premies aan hem is te wijten.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad evenals gedaagde en de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellant er niet in is geslaagd dit wettelijke vermoeden te weerleggen. Hetgeen appellant in dit verband heeft aangevoerd is naar het oordeel van de Raad ontoereikend om aan te nemen dat de aan appellant als bestuurder verweten tekortkomingen en gedragingen zich niet hebben voorgedaan, en heeft de Raad dan ook niet tot de overtuiging kunnen brengen dat geen sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur dan wel dat appellant daarvan geen verwijt te maken valt.

De Raad wijst er in dit verband op dat naar vaste rechtspraak een ieder die is benoemd tot bestuurder van een rechtspersoon daarmee de verantwoordelijkheid op zich neemt voor het (financiŽle) beleid van die rechtspersoon. Voorts zal een bestuurder zich als regel niet kunnen beroepen op een bepaalde taakverdeling of op de taakverwaarlozing door een medebestuurder of, zoals in dit geval, door de financieel directeur. De Raad tekent hierbij aan dat ook voor hem op grond van de stukken genoegzaam vaststaat dat appellant zich gedurende de periode dat hij bestuurder was bepaald niet afzijdig heeft gehouden van de financiŽle gang van zaken binnen [B.V.]. In verband hiermee kan de Raad appellant niet volgen in zijn opvatting dat hij niet aansprakelijk kan worden gesteld omdat hij zich als werktuigbouwkundige met name bezig hield met ontwerpen, verkopen en productie, en dat [financieel directeur] verantwoordelijk was voor de financiŽn.

Met betrekking tot de grief van appellant dat gedaagde ten onrechte [financieel directeur] niet (ook) heeft aangesproken, overweegt de Raad dat uitsluitend appellant ten tijde hier van belang als bestuurder van [B.V.] was ingeschreven in het handelsregister. [Financieel directeur] was weliswaar financieel directeur en procuratiehouder en dus titulair directeur, maar hij was niet als bestuurder ingeschreven bij het handelsregister. Naar vaste rechtspraak van de Raad is gedaagde niet gehouden om een niet in het handelsregister als bestuurder ingeschreven persoon aansprakelijk te stellen. In verband hiermee behoefde gedaagde evenmin te motiveren waarom gedaagde [financieel directeur] niet mede hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat gedaagde appellant terecht hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de door [B.V.] verschuldigde en onbetaald gebleven premies.

De omstandigheid dat appellant zich als bestuurder van [B.V.] aanzienlijke, ook financiŽle inspanningen heeft getroost om [B.V.] zolang mogelijk zakelijk en financieel op de rails te houden en dat in zijn beleving aan hem ten onrechte verwijten worden gemaakt, nu hij zich juist optimaal voor [B.V.] heeft ingezet, kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen.

De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep voor het overige naar voren heeft gebracht evenmin aanknopingspunten gevonden om tot matiging van de aansprakelijkheidsstelling over te gaan.

Tot slot merkt de Raad nog op dat hij geen termen aanwezig acht tot inwilliging van het verzoek van appellant om het onderzoek in dit geding te heropenen teneinde de uitkomst van de cassatieprocedure betreffende de bestuurdersaansprakelijkheid tegen de Belastingdienst af te wachten.

Op grond van het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x