Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AS6282
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van correctie- en boetenota's, betrekking hebbende op een door de betrokken bedrijven ten titel van literatuurvergoeding betaalde onkostenvergoeding van f 140,- per jaar die tevens zou zien op de kosten van een vakbondslidmaatschap en mede betrekking hebbende op de door één betrokken bedrijf als montagekosten geboekte betalingen aan derden, alsmede op de verstrekte autokostenvergoeding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2698 CSV, 03/2706 CSV en 03/2707 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante 1], appellante 1,
[appellante 2], appellante 2,
[appellante 3], appellante 3, alle gevestigd te [vestigingsplaats],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in de gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellanten heeft mr. F. Post, belastingadviseur te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem onder dagtekening 11 april 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, kenmerk 02/73, 02/74 en 02/75.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 december 2004. Appellanten zijn daar verschenen bij hun gemachtigde mr. F. Post, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. Hofland, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij appellanten is door de looninspectie van gedaagde in 2000 een looncontrole gehouden. De bevindingen van deze looncontroles hebben geresulteerd in looncontrolerapporten van 30 oktober 2000. Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde appellanten correctie- en boetenota’s doen toekomen met betrekking tot de premiejaren 1995 tot en met 1999.

De correcties hebben, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, betrekking op een door appellanten, ten titel van literatuurvergoeding betaalde onkostenvergoeding van f. 140,-- per jaar die tevens zou zien op de kosten van een vakbondslidmaatschap. Ten aanzien van appellante 3 heeft de correctie mede betrekking op de als montagekosten geboekte betalingen aan derden, alsmede op de door haar verstrekte autokostenvergoeding.

De rechtbank heeft het beroep van appellanten voorzover het gericht was tegen voormelde correcties, ongegrond verklaard.

Appellanten kunnen zich niet met de uitspraak van de rechtbank in dit opzicht verenigen. Daartoe is aangevoerd dat de looninspecteur een te zware bewijslast op appellanten heeft gelegd ten aanzien van de onkostenvergoedingen, door een volledige verantwoording van de gemaakte kosten te vergen. Wat betreft de montagekosten stelt appellante 3 zich, onder verwijzing naar een bij haar in 1995 en 1996 gehouden looncontrole, op het standpunt dat deze montagekosten reeds eerder door gedaagde als niet premieplichtig loon zijn aangemerkt.

De Raad overweegt als volgt.

Hij stelt voorop dat de hoofdregel van artikel 4 van de Coördinatiewet sociale verzekering (CSV) luidt dat al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten, loon vormt voor de premieheffing voor de sociale werknemersverzekeringen. Een uitzondering hierop wordt onder meer gemaakt in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k (oud), van de CSV, waarin is bepaald dat niet tot het loon behoren vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten tot verwerving van loon. Gegeven het uitzonderingskarakter van deze bepaling op de hoofdregel ligt het, gelet ook op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en van deze Raad, op de weg van degene die een beroep doet op deze bepaling, aannemelijk te maken dat een dergelijke uitzondering zich voordoet.

De Raad stelt op grond van de gedingstukken (waaronder het aanvullend beroepschrift van appellanten) vast dat gedaagde zich tijdens de slotbespreking in september 2000, naar aanleiding van de looncontrole, op het standpunt heeft gesteld dat aan de hand van het bijhouden van de werkelijk gemaakte kosten terzake waarvan de kostenvergoedingen werden verstrekt, over een beperkte periode, alsnog de niet-bovenmatigheid van de kostenvergoedingen aannemelijk zou kunnen worden gemaakt.

Appellanten hebben echter van deze laatst geboden mogelijkheid om hen moverende redenen geen gebruik gemaakt.

De Raad moet vaststellen dat appellanten zelfs geen begin van bewijs hebben geleverd. In dit verband tekent de Raad aan dat het gelet op de specifieke doelen waarvoor de kostenvergoeding literatuur/vakbondslidmaatschap is verstrekt, toch niet al te problematisch kan zijn om aannemelijk te maken dat sprake is van een reële kostenvergoeding. Ook ten aanzien van het aantal zakelijk verreden kilometers heeft appellante 3 onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat geen sprake is van bovenmatigheid.

De stelling van appellanten dat zij in hun bewijspositie zijn geschaad door de attitude van de looninspecteur snijdt overigens naar het oordeel van de Raad geen hout. Ook in de bezwaarfase is appellanten de gelegenheid geboden om de niet-bovenmatigheid van de kostenvergoedingen te onderbouwen. Van deze gelegenheid is echter evenmin gebruik gemaakt.

Inzake de correctie met betrekking tot de montagekosten van appellante 3 is de uitspraak van de rechtbank aangevochten omdat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan een looncontrolerapport van 15 januari 1996.

Naar de zienswijze van appellante 3 heeft zij voldaan aan de voorwaarden als toen gesteld om dergelijke betalingen aan derden als niet tot het premieloon behorend te kunnen bestempelen.

De Raad dient, gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad en deze Raad, de vraag te beantwoorden of gedaagde zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ten titel van montagekosten geboekte bedragen als premieloon moeten worden aangemerkt.

Met de rechtbank is de Raad van mening dat die vraag bevestigend beantwoord dient te worden in het licht van het looncontrolerapport van 15 januari 1996. Uit dit rapport blijkt naar het oordeel van de Raad dat aan appellante 3 handvatten zijn gegeven om aannemelijk te maken dat betalingen als hier aan de orde niet tot het premieloon behoren. Dat het voldoende zou zijn om per project te registreren welke montagekosten betaald zijn berust op een te enge uitleg van dit rapport. Bovendien hebben de betaalde montagekosten, gelet op de gedingstukken en verhandelde ter zitting, anders dan in 1996, betrekking op voor appellante 3 verrichte werkzaamheden. Bij gebreke aan vastlegging van nadere gegevens, zoals voor welk werk is betaald en onder welke omstandigheden, alsmede of dit de goedkeuring had van de verantwoordelijke op de werkvloer, acht de Raad het standpunt van gedaagde niet met vrucht in rechte aan te tasten.

Ter zitting is namens appellanten met een beroep op schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, verzocht de boetenota’s, voorzover nog aan de orde, te vernietigen. De Raad ziet in de totale behandelingsduur van de onderhavige geschillen, die vanaf de aankondiging van de op te leggen boetenota’s minder dan 5 jaar bedraagt, geen sprake van schending van die termijn.

De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x