Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AS6693
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijkaansprakelijkstelling op grond van artikel 16d van de CSV van betrokkene als gewezen bestuurder voor de door de BV over het jaar 2000 onbetaald gelaten premies voor de sociale werknemersverzekeringen. Kennelijk onbehoorlijk bestuur.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/5309 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op daartoe nader aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 16 september 2003, onder kenmerk 02/1105, door de rechtbank Alkmaar gewezen uitspraak

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 februari 2005, waar appellant niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant is bestuurder geweest van Hanze Gilde B.V. (hierna: de vennootschap) van 1 februari 2000 tot 3 april 2000. De vennootschap is op 24 mei 2000 in staat van faillissement verklaard. Onderzoek vanwege gedaagde heeft uitgewezen dat onbetaald is gebleven de premie ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten over het jaar 2000 ten bedrage van € 36.541,60.

Bij besluit van 26 augustus 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaarschrift van appellant gericht tegen het besluit van 16 april 2002 waarbij appellant ingevolge artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) als gewezen bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door de vennootschap in zijn bestuursperiode verschuldigde en onbetaald gebleven sociale verzekeringspremie, tot een bedrag van € 10.540,37.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, daarbij overwegende dat appellant er niet in is geslaagd om het wettelijk vermoeden, dat het niet betalen van de premie het gevolg is van aan appellant te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, te weerleggen.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij als gewezen bestuurder in een nadelige bewijspositie verkeert aangezien hij alle eigendommen van de onderneming bij zijn vertrek heeft achtergelaten. Voorts heeft appellant benadrukt dat er tijdens zijn bestuursperiode geen premieschuld ontstaan is en dat de datum van uitschrijving uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel onjuist is.

De Raad overweegt dat, nu de vennootschap geen mededeling als bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de CSV heeft gedaan, het gelet op het bepaalde in het vierde en zevende lid van dit artikel aan appellant als gewezen bestuurder is om het wettelijk vermoeden dat het niet betalen van de premies over 2000 het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, te weerleggen. Dit betekent dat het op de weg van appellant ligt om aannemelijk te maken dat hij als verantwoordelijk bestuurder in de periode van 1 februari tot 3 april 2000 kon menen dat de vennootschap op een juiste en zorgvuldige wijze aan haar verplichtingen heeft voldaan. Daarbij kan niet worden volstaan met blote ontkenningen, dan wel met niet nader onderbouwde stellingen.

De Raad komt dan ook tot de conclusie dat appellant er niet in is geslaagd het wettelijk vermoeden dat het niet betalen van de premies het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, te weerleggen. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2005.

(get.) R.C. Stam.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x