Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AS7596
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Aansprakelijkheid voor onbetaald gebleven premies ingevolge de socialeverzekeringswetten van een onderaannemer die in staat van faillissement is verklaard. Is er ten aanzien van de Poolse arbeidskrachten sprake van zelfstandigheid of werkzaamheden buiten dienstbetrekking?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/720 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:


[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. H. Randag, werkzaam bij Valkenpoort Fiscalisten en Bedrijfsjuristen te Poortugaal, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 december 2002, kenmerk 01/2643.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 december 2004, waar appellante - met kennisgeving - niet is verschenen, terwijl gedaagde - daartoe ambtshalve opgeroepen - zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E. Kuipers, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


In de periode 1995 tot en met 1999 heeft [betrokkene], handelende onder de naam [handelsnaam](hierna: [betrokkene]), in onderaanneming werkzaamheden verricht voor appellante. [Betrokkene] is op 2 juni 1999 in staat van faillissement verklaard. Terzake van werkzaamheden die [betrokkene] voor appellante heeft verricht is een bedrag van f 167.613,- aan premies sociale verzekeringswetten onbetaald gebleven. Bij besluit van 17 januari 2001 heeft gedaagde appellante op grond van artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) aansprakelijk gesteld voor dat bedrag. Gedaagde heeft in dat besluit verwezen naar een onderzoek waarvan het rapport in het bezit is van appellante en waaruit blijkt dat [betrokkene] verwijtbaar heeft gehandeld.

Bij besluit van 26 september 2001 heeft gedaagde het door appellante tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 26 september 2001 ongegrond verklaard.

Appellante heeft die uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De eerste beroepsgrond houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de niet correcte tenaamstelling van het besluit op bezwaar geen aanleiding geeft het besluit te vernietigen.

De Raad overweegt dienaangaande dat uit de stukken voldoende blijkt dat de aansprakelijkstelling betrekking heeft op werkzaamheden die [betrokkene] tot 15 november 1999 heeft verricht voor de werkmaatschappij [appellante] De bedrijfsvoering van deze onderneming is per 15 november 1999 ongewijzigd voortgezet door de gelijknamige B.V. die per die datum is opgericht. Daarbij is het aansluitnummer bij gedaagde op uitdrukkelijk verzoek van deze onderneming gehandhaafd en gingen lopende opdrachten en personeelsbestand geruisloos naar haar over. De Raad onderschrijft het standpunt van gedaagde dat appellante kennelijk de rechten en verplichtingen van de vroegere werkmaatschappij heeft willen overnemen en dat inhoudelijk en feitelijk ook heeft gedaan, onder meer door tijdig bezwaar en beroep in te stellen tegen respectievelijk het primaire besluit en het besluit op bezwaar. Dat gedaagde in de adressering van de besluiten de naam van appellante niet geheel juist heeft weergegeven, heeft niet geleid tot enig misverstand omtrent de geadresseerde van de besluiten. Van meet af aan is duidelijk geweest dat appellante als aannemer, dan wel als de rechtsopvolgster daarvan, aansprakelijk is gesteld. Appellante is niet in haar processuele rechten beperkt. De Raad concludeert dat deze grief geen doel treft.

In de tweede plaats heeft appellante aangevoerd dat de Poolse en andere arbeidskrachten waarvan [betrokkene] gebruik heeft gemaakt, niet tot [betrokkene] in dienstbetrekking stonden en dat het aan gedaagde is om aan te tonen dat dit anders is. Volgens appellante blijkt uit de gedingstukken in ieder geval ten aanzien van een deel van deze arbeidskrachten dat zij als zelfstandige werkzaam waren en is bij de premieberekening daarmee ten onrechte geen rekening gehouden. Wat de Poolse arbeidskrachten betreft stelt appellante zich op het standpunt dat van een groot aantal van hen de naam en verblijfplaats bij gedaagde bekend zijn dan wel op eenvoudige wijze zijn te achterhalen. Appellante heeft een aantal van de Poolse arbeidskrachten weten te achterhalen en verklaringen van hen overgelegd. Appellante is van mening dat gedaagde onzorgvuldig te werk is gegaan door nader onderzoek achterwege te laten en af te gaan op het akkoord van de curator.

De Raad onderschrijft het uitvoerig gemotiveerde oordeel van de rechtbank op dit punt en de daaruit voortvloeiende conclusie dat genoegzaam is komen vast te staan dat [betrokkene] een ondeugdelijke loonadministratie heeft gevoerd en dat op basis van deze loonadministratie niet kan worden vastgesteld welke personen welke bedragen hebben ontvangen voor het verrichten van werkzaamheden die [betrokkene] als onderaannemer heeft verricht voor de rechtsvoorgangster van appellante. Gedaagde was dan ook genoodzaakt een schatting te maken van de loonsom die de werknemers hebben ontvangen en is daarbij zoveel mogelijk afgegaan op de nog aanwezige gegevens in samenhang met de verklaringen van een groot aantal getuigen, waaronder ook [betrokkene] zelf en een directeur van appellante. Gelet op de rapporten die gedaagde in het geding heeft gebracht, waaronder met name het controleverslag van 10 december 1999, het Rapport Ondernemersfraude van 26 september 2000 en het SFB-rapport van 14 maart 2001, alsmede de openbare verslagen van de curator in het faillissement van [betrokkene] en het rapport van de Belastingdienst Ondernemingen Helmond van 30 september 1999 is de Raad van oordeel dat gedaagde voldoende onderzoek naar de feiten heeft gedaan en bij de schatting met de vereiste zorgvuldigheid te werk is gegaan. De Raad wijst voorts op de toelichting die gedaagde heeft gegeven in het verweerschrift in hoger beroep en merkt tot slot op dat (het merendeel van) de door appellante overgelegde kopieën van paspoorten van Poolse arbeidskrachten betrokken zijn in het onderzoek, zoals blijkt uit het rapport van 26 september 2000, bladzijde 9. De overgelegde verklaringen acht de Raad ontoereikend om te kunnen dienen als bewijs van de stelling van appellante dat deze arbeidskrachten als zelfstandigen zouden moeten worden aangemerkt.

De derde beroepsgrond luidt dat, voorzover ten aanzien van de Poolse arbeidskrachten geen sprake zou zijn van zelfstandigheid of werkzaamheden buiten dienstbetrekking, van uitsluiting van verzekering op grond van de Koppelingswet sprake zou kunnen zijn. Onder verwijzing naar overgelegde verklaringen stelt appellante dat gedaagde de gegevens van de Poolse arbeidskrachten op eenvoudige wijze had kunnen achterhalen door deze aan [betrokkene] te vragen.

De Raad overweegt dat het primair op de weg van de werkgever ligt om zich te vergewissen van de verblijfsrechtelijke positie van zijn werknemers. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van gedaagde niet kon worden gevergd te onderzoeken of de Poolse arbeidskrachten mogelijk niet verzekeringsplichtig waren op grond van de Koppelingswet. De verklaringen die appellante in dit verband in hoger beroep heeft overgelegd leiden niet tot een ander oordeel.

De Raad is ten slotte met de rechtbank van oordeel dat van een voorbarige aansprakelijkstelling geen sprake is nu niet is gebleken dat [betrokkene] dan wel de curator namens hem ten tijde van het besluit op bezwaar in staat was zelf de in geding zijnde premieschulden aan gedaagde te voldoen.

Op grond het voorgaande en hetgeen voor het overige uit de gedingstukken naar voren komt, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat gedaagde appellante terecht aansprakelijk heeft gesteld voor de door Van Wijdeven onbetaald gelaten premies werknemersverzekeringen.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x