Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT0220
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Correctie- en boetenota: verrekening of uitbetaling van verlofdagen en overuren na beëindiging dienstverband.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2452 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijke instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. J.A. Visscher, belastingadviseur te Meppel, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 18 april 2003, reg.nr. 01/805.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 december 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Visscher, voornoemd, alsmede [vennoot], vennoot van appellante, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Rusman, werkzaam bij het Uwv. Als namens appellante meegebrachte getuigen zijn gehoord [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3].




II. MOTIVERING


Appellante exploiteert een Mexicaans restaurant. In het kader van een looncontrole, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 16 november 2000, heeft gedaagde - voorzover in hoger beroep nog relevant - vastgesteld dat appellante aan [getuige 1] en [getuige 2] in verband met het einde van hun dienstbetrekking per 1 september 1999 nog loon had uitbetaald wegens een resterend recht op verlofdagen. Ook is volgens gedaagde aan [getuige 2] loon uitbetaald wegens door hem gemaakte overuren. Nu gedaagde zich op het standpunt stelt dat over dit loon nog premies moeten worden afgedragen, heeft hij aan appellante een correctienota over het jaar 1999 opgelegd. Tevens heeft gedaagde aanleiding gezien om over dat jaar een boete op te leggen.

Bij besluit op bezwaar van 7 juni 2001 heeft gedaagde de correctienota gehandhaafd en het bezwaar op dit punt ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het besluit van 7 juni 2001 beroep ingesteld, waarbij is gesteld dat de nog openstaande verlof- en overuren van [getuige 1] en [getuige 2] niet in loon zijn uitbetaald, maar in vrije tijd zijn opgenomen. Ter ondersteuning van deze stelling heeft appellante onder meer een (ongedateerde) verklaring van [getuige 2] overgelegd. Gedaagde achtte het niet aannemelijk dat deze uren zijn omgezet in vrije tijd. Daarbij heeft gedaagde onder meer verwezen naar een faxbericht dat is gedateerd na het einde van het dienstverband, te weten 4 oktober 1999, waarin de administrateur van appellante, [getuige 3], een berekening heeft gemaakt van het resterend recht op loon over nog openstaande verlof- en overuren van [getuige 2], en waarbij tevens twee pro-formaloonstroken zijn meegezonden, die betrekking zouden hebben op het recht op loon van [getuige 2] en [getuige 1]. Appellante heeft als verklaring voor deze berekening gegeven dat zij hiermee de correctheid van de afwikkeling van vrije dagen en vakantiegeld heeft gecontroleerd. Tevens is de loonbetaling door appellante ontkend onder verwijzing naar een door appellante bijgehouden werkrooster en een door [getuige 2] bijgehouden urenoverzicht, waaruit zou blijken dat in de betreffende periode vrije dagen zijn opgenomen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 7 juni 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiseres appellante en voor verweerder gedaagde moet worden gelezen.
"De rechtbank acht het evenwel niet logisch dat ná afloop van een dienstverband een berekening wordt gemaakt waarin uit wordt gegaan van nog resterende verlof- en overwerkuren als tegelijkertijd de stelling wordt ingenomen dat die uren nog voor het eind van het dienstverband zijn opgenomen. Aangenomen moet worden dat de berekening is gemaakt op basis van door eiseres verstrekte gegevens. Als de berekening uitsluitend is gemaakt ter controle of de afwikkeling correct heeft plaatsgevonden kan niet worden ingezien waarom daar dan nog een berekening van de nettoloonwaarde van de resterende verlof- en overuren op vermeld zou moeten worden als die uren voor einde dienstverband opgenomen zijn.
Het nadere standpunt van eiseres over de opgemaakte pro-formaberekening lijkt ook in strijd met haar eerdere stelling dat de betrokken (ex) werknemers de resterende uren hebben opgenomen toen hen uit de berekening duidelijk werd dat uitbetaling van de uren financieel niet aantrekkelijk was.
Het een en ander luidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht uit de aangetroffen administratie van eiseres heeft opgemaakt dat er voor de genoemde werknemers een vorderbaar en inbaar bedrag (in de zin van artikel 5, aanhef en onder b, van de CSV) aan resterend verlof- en overuren bestond waarover eiseres ten onrechte geen premies heeft afgedragen. De rechtbank vindt in de verklaringen van de heer [getuige 2] en in de na de zitting nog toegestuurde werkstaten en overzichten onvoldoende aanleiding om tot een ander oordeel te komen.”

In hoger beroep heeft appellante zich tegen dit oordeel van de rechtbank gekeerd.

Met betrekking tot de verlof- en overuren van [getuige 2] komt de Raad tot de volgende beoordeling.

De Raad heeft op basis van de te zijner zitting afgelegde getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3], niet de overtuiging gekregen dat het oordeel van de rechtbank als onjuist moet worden aangemerkt. Evenals de rechtbank acht de Raad het niet aannemelijk dat [getuige 2] de verlof- en overuren heeft omgezet in vrije tijd. De door [getuige 2] hierover afgelegde verklaring, inhoudende dat hij tot aan de ingangsdatum van zijn nieuwe dienstbetrekking per 1 september 1999 vrije dagen had opgenomen, stemt niet overeen met het werkrooster en de urenlijst, welke door appellante in beroep zijn overgelegd. De Raad is voorts van oordeel dat appellante ook in hoger beroep geen sluitende verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij na het einde van de dienstverbanden nog een berekening heeft laten maken van het nog aan [getuige 2] uit te betalen loon. De door [getuige 3] ter zitting van de Raad daarvoor gegeven verklaring dat deze berekening ter archivering aan appellante is opgestuurd, stemt niet overeen met de eerder door appellante hiervoor gegeven verklaring, namelijk dat het ging om een controleberekening. De verklaring van [vennoot] dat deze berekening gebruikt werd als voorbeeld voor andere werknemers die uit dienst traden, overtuigt de Raad ook niet.

Met betrekking tot de verlofuren van [getuige 1] komt de Raad tot de volgende beoordeling.

Ook [getuige 1] heeft ter zitting van de Raad verklaard dat hij zijn verlofuren in vrije tijd heeft opgenomen. Daarbij heeft hij tevens aangegeven dat hij deze verlofuren heeft opgenomen omdat hij te kampen had met een gebroken hand, hetgeen ook ter zitting van de Raad door [vennoot] is bevestigd. De Raad stelt vast dat [getuige 1] in de periode voorafgaand aan het einde van zijn dienstbetrekking wegens arbeidsongeschiktheid niet in staat is geweest om bij appellante arbeid te verrichten. Dit betekent dat na het einde van de dienstbetrekking van [getuige 1] per 1 september 1999 het recht op uitbetaling van verlofuren voor hem nog vorderbaar en tevens inbaar is geweest. Nu appellante dit vorderbare loon mede op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) in 1999 als loon had moeten verantwoorden in haar loonadministratie, heeft gedaagde terecht over dit loon alsnog premies geheven.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de correctienota’s over het jaar 1999 - voorzover aangevochten - stand kunnen houden.

Omdat appellante het loon van [getuige 1] en [getuige 2] niet had verantwoord in de loonadministratie, heeft gedaagde tevens op grond van artikel 12, derde lid, van de CSV een boete opgelegd. De Raad stelt vast dat appellante in bezwaar is opgekomen tegen deze boete. Nu gedaagde deze boete niet in zijn besluit van 7 juni 2001 heeft heroverwogen, heeft gedaagde in strijd gehandeld met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat dit besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De aangevallen uitspraak komt derhalve ook voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde zal op het bezwaar van appellante tegen de boete alsnog een besluit moeten nemen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 7 juni 2001, voorzover daarbij geen besluit is genomen over het tegen de opgelegde boete gemaakte bezwaar terzake van de aan [getuige 2] en [getuige 1] gedane betalingen;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.244,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 552,20 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2005.

(get.) mr. B.J. van der Net.

(get.) mr. L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x