Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT0225
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijke aansprakelijkheid voor onbetaald gelaten premies ingevolge de socialeverzekeringswetten. Er is niet geheel tegemoet gekomen aan het bezwaar. Toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2849 CSV en 03/2851 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: appellante,
De erven van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], hierna: de erven,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante en de erven van [betrokkene] (hierna ook tezamen: appellanten) heeft mr. G.B.M. Zuidgeest, advocaat te Alphen aan den Rijn, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage, kenmerk 02/1290, van 7 mei 2003.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 januari 2005, waar voor appellanten is verschenen [bestuurder], bijgestaan door mr. Zuidgeest, en waar gedaagde zich - na bericht - niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Bij besluiten van 26 februari 2002 heeft gedaagde gehandhaafd zijn besluiten van 14 augustus 2000, waarbij appellanten hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor door [de besloten vennootschap] (hierna: de B.V.) onbetaald gelaten premies ingevolge de sociale verzekeringswetten, zulks tot een bedrag van € 41.791,22. Bij herziene beslissingen op bezwaar van 22 juli 2002 zijn deze beslissingen ingetrokken en is het bedrag van de aansprakelijkstelling verlaagd tot € 4.232,66. Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het beroep ongegrond verklaard moet worden. Zij had het beroep tegen de besluiten van 26 februari 2002 niet-ontvankelijk moeten verklaren wegens het ontvallen van een belang bij een beoordeling daarvan. Vervolgens had de rechtbank, nu met de besluiten van 22 juli 2002 niet (geheel) tegemoet werd gekomen aan de bezwaren van appellanten, toepassing moeten geven aan het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het beroep als mede gericht tegen de besluiten van 22 juli 2002 moeten beschouwen. De rechtbank heeft echter niet aangegeven tegen welke besluiten het beroep ongegrond werd verklaard. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad een oordeel geven over de besluiten van 22 juli 2002.

De B.V. had als enig aandeelhouder appellante, waarvan weer enig aandeelhouder was [betrokkene] in persoon. Tot 20 februari 1998 was [bestuurder] enig bestuurder van de vennootschap. Na zijn ontslag als bestuurder door de algemene vergadering van aandeelhouders is er geen nieuwe directie aangesteld. Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de van toepassing zijnde statuten volgt dat appellante na 20 februari 1998 geacht wordt belast te zijn geweest met het bestuur van de B.V. Nu [betrokkene] bestuurder was van appellante is hij op de voet van artikel 16d, zesde lid, aanhef en onder d, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) terecht vanaf 20 februari 1998 ook als bestuurder van de B.V. aangemerkt. [betrokkene] is op 26 april 2002 overleden. De erven hebben aan de rechtbank laten weten de gedingen voort te willen zetten.

De B.V. is op 11 maart 1998 in staat van faillissement verklaard. Nog in geding is de aansprakelijkstelling voor onbetaald gelaten premienota’s over de periode 20 februari 1998 tot 11 maart 1998.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 16d, eerste lid, van de CSV is hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het lichaam als bedoeld in het eerste lid verplicht is onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling te doen aan het uitvoeringsorgaan en, indien het uitvoeringsorgaan dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen.
Indien het lichaam op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is ingevolge het derde lid van artikel 16d van de CSV een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de premie of de voorschotpremie het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaand aan het tijdstip van de mededeling.
Op grond van het vierde lid is, indien het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, een bestuurder op de voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk met dien verstande, dat vermoed wordt dat de niet-betaling aan hem is te wijten, en dat de periode van drie jaar wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van dit vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan.

Op 6 februari 1998 is namens de B.V. gemeld dat zij voor openstaande nota’s inzake sociale premies in betalingsonmacht verkeert. Bij brief van 24 februari 1998 is namens gedaagde om nadere informatie gevraagd, met een termijn om te reageren van drie weken. In deze periode van drie weken is het faillissement uitgesproken. De Raad is van oordeel dat door dit faillissement de plicht tot het verstrekken van informatie als bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de CSV is komen te vervallen, althans dat hierdoor niet langer kan worden gesproken van het niet voldoen aan de plicht tot het verstrekken van inlichtingen. Pas bij het verstrijken van de gestelde termijn is sprake van het niet voldoen aan deze plicht.

Nu gedaagde aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft gelegd dat het lichaam niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 16d, vierde lid, van de CSV en dat de bestuurders er niet in zijn geslaagd te weerleggen het vermoeden dat het niet melden - in dit geval het niet voldoen aan de plicht tot het verstrekken van nadere informatie - hen niet te verwijten is, waardoor ze niet werden toegelaten tot het weerleggen van het vermoeden dat de niet-betaling aan hen te wijten was, moet, gezien het voorgaande, geconstateerd worden dat gedaagde een onjuiste grondslag onder de bestreden besluiten heeft gelegd.

Nu de rechtbank dit heeft miskend, komt de aangevallen uitspraak ook om deze reden voor vernietiging in aanmerking.

De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de kosten van de gedingen, aan de zijde van appellanten wegens de aan hen verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- voor de gedingen in eerste aanleg en € 644,- voor de gedingen in hoger beroep.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep voor zover gericht tegen de besluiten van 26 februari 2002 niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de besluiten van 22 juli 2002;
Vernietigt de bestreden besluiten van 22 juli 2002;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van de gedingen, aan de zijde van appellanten begroot op € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellanten;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellanten het door hen betaalde griffierecht, € 218,-- voor het geding in eerste aanleg en € 348,-- voor de gedingen in hoger beroep aan hen vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. C.M. van Wechem en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x