Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT2044
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is voldoende aannemelijk gemaakt dat het niet betalen van de premies werknemersverzekeringen het gevolg is van aan betrokkenen te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode dat zij bestuurder van de vennootschap waren?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3197 CSV en 03/3199 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant 1], zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, en
[appellant 2], wonende te [woonplaats], tezamen aan te duiden als appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellanten heeft mr. P.A. Speijdel, advocaat te Enschede, op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Almelo van 21 mei 2003 met kenmerk 02/601 en 02/298.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 20 januari 2005, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in deze gedingen relevante feiten en omstandigheden en het toepasselijke wettelijke kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.

[Naam B.V.] - met [naam directeur-grootaandeelhouder] als directeur-grootaandeelhouder - was tot 12 juni 1996 bestuurder en enig aandeelhouder van [naam vennootschap] (hierna: de vennootschap). Op 10 juni 1996 heeft [naam B.V.] de aandelen van de vennootschap overgedragen aan [bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], waarvan appellanten bestuurders zijn. Vanaf 10 juni 1996 tot aan het faillissement op 3 juli 1996 waren appellanten bestuurder van de vennootschap.

Medio 1996 is vanwege gedaagde een onderzoek verricht bij de vennootschap, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport werkgeversfraude van 2 juli 1996. Gedaagde heeft [appellant 1] en [appellant 2] bij besluiten van respectievelijk 27 juni 2000 en 11 mei 2000 op grond van artikel 16d van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door de vennootschap onbetaald gebleven premies werknemersverzekeringen tot een bedrag van f 306.171,68.

De bezwaren van [appellant 1] en [appellant 2] tegen deze besluiten zijn bij afzonderlijke besluiten van respectievelijk 10 juni 2002 en 21 februari 2002 ongegrond verklaard. In deze besluiten heeft gedaagde tot uitgangspunt genomen dat appellanten als bestuurder in beginsel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de vennootschap verschuldigde premie en dat de vennootschap op de juiste wijze aan haar meldingsverplichting inzake betalingsonmacht heeft voldaan. Gedaagde heeft voorts het standpunt ingenomen dat aannemelijk is dat het niet betalen van de premies het gevolg is van aan appellanten te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voorafgaande aan het tijdstip van melding. Dat sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur leidt gedaagde af uit de inhoud van een brief van appellanten van 19 juni 1996 aan de debiteuren van de vennootschap, uit de betalingen welke door de vennootschap via rekeningen van [bedrijfsnaam] zijn gedaan aan werknemers van de vennootschap en aan de persoonlijke besloten vennootschappen van appellanten, en uit het feit dat het krediet bij de Rabobank kort voor het faillissement geheel is afgelost.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de op bezwaar genomen besluiten ongegrond verklaard. Zij is tot het oordeel gekomen dat gedaagde in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat het niet betalen van de premies werknemersverzekeringen het gevolg is van aan appellanten te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de korte periode dat zij bestuurder zijn geweest van de vennootschap.

In hoger beroep hebben appellanten dit oordeel bestreden. Zij hebben daartoe onder meer aangevoerd dat niet vaststaat dat het krediet van de Rabobank al vˇˇr 19 juni 1996 is afgelost, dat de verrichte salarisbetalingen en de betalingen aan de vennootschappen van appellanten geen onverplicht karakter droegen en al plaatsvonden voordat sprake was van een faillissement, en dat zij wel degelijk de intentie hadden de premieschulden te voldoen. Tot slot hebben appellanten betwist dat ten tijde van hun bestuurderschap voldoende geldmiddelen aanwezig waren om bestaande premieschulden te voldoen. Appellant [appellant 1] heeft daaraan nog toegevoegd dat beslist is op grond van niet uit zijn dossier blijkende feiten.
De Raad stelt voorop dat het gelet op het bepaalde in artikel 16d, derde lid, van de CSV aan gedaagde is om aannemelijk te maken dat het onbetaald gebleven zijn van de premies werknemersverzekeringen het gevolg is van aan appellanten te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling betalingsonmacht, waarbij in dit geval moet worden uitgegaan van de datum van het faillissement op 3 juli 1996.

Niet betwist is dat [appellant 1] en [appellant 2] van 10 juni 1996 tot 3 juli 1996 bestuurder van de vennootschap waren. Met betrekking tot het door appellanten tijdens hun bestuursperiode gevoerde (financiŰle) beleid komt uit de gedingstukken het volgende naar voren.

Appellanten hadden aanvankelijk het voornemen [naam vennootschap] te verkopen aan [naam uitzendbureau]. Op 13 juni 1996 heeft [naam uitzendbureau] echter laten weten af te zien van het overnemen van [naam vennootschap]. Nog dezelfde dag hebben appellanten aan het personeel laten weten dat de bedrijfsactiviteiten zullen worden gestaakt op 18 juni 1996. Op laatstgenoemde datum zijn salarissen aan het personeel betaalbaar gesteld welke betrekking hadden op een toekomend tijdvak, te weten 17 juni tot 12 juli 1996. In de periode van 17 juni 1996 tot en met 21 juni 1996 is in totaal f 84.000,-- van de rekening van de vennootschap overgemaakt aan [bedrijfsnaam] en aan [naam exploitatiemaatschappij], waarvan de ex-echtgenote van appellant [appellant 1] enig aandeelhouder is. Van dat bedrag is f 37.500,-- aan appellanten betaald als managementvergoeding. Op 19 juni 1996 hebben appellanten debiteuren van de vennootschap benaderd met een brief waarin een betalingsvoorstel is opgenomen. Aan de debiteuren is een korting van 15% aangeboden op de openstaande bedragen mits deze telefonisch binnen ÚÚn week worden betaald op de rekening van de vennootschap bij de Rabobank. Verder is gesteld dat debiteuren een bedrag van 35% kunnen reserveren voor de af te dragen werkgeverslasten van de uitzendkrachten, zodat per saldo de helft van de vorderingen van de vennootschap diende te worden voldaan. Gebleken is dat de Rabobank op zijn beurt tegoeden op die rekening telefonisch diende over te boeken naar een rekening van [naam exploitatiemaatschappij] via een rekening van [bedrijfsnaam], waarna het tegoed contant werd opgenomen. Ten slotte is het krediet van de Rabobank van f 100.000,-- nog vˇˇr het faillissement van de vennootschap in zijn geheel afgelost. Op 24 juni 1996 heeft de Belastingdienst beslag gelegd op de tegoeden van de rekeningen van de vennootschap, [bedrijfsnaam] en [naam exploitatiemaatschappij], en op 25 juni 1996 is bij 14 debiteuren derdenbeslag gelegd tot een bedrag van bijna f 800.000,--.

Op grond van vorenstaande feiten is ook naar het oordeel van de Raad voldoende aannemelijk gemaakt dat het niet betalen van de premies werknemersverzekeringen het gevolg is van aan appellanten te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode dat zij bestuurder van de vennootschap waren.

De stelling van appellanten dat de zojuist beschreven activiteiten deel uitmaakten van een reddingsplan voor de vennootschap vindt geen steun in de beschikbare gegevens. Daaruit komt veeleer naar voren dat appellanten na het staken van de bedrijfsactiviteiten met voorbijgaan aan en ten koste van de belangen van de preferente schuldeisers zoals gedaagde en de Belastingdienst de tegoeden op de rekening van de vennootschap hebben gebruikt om de betaling van salarissen aan het personeel en van de managementvergoeding aan henzelf veilig te stellen. Dit terwijl van appellanten gelet op hun verantwoordelijkheid als bestuurder voor het financiŰle beleid van de vennootschap had mogen worden verwacht dat zij bij het staken van de activiteiten van de vennootschap uit de beschikbare gelden eerst de schuldeisers hadden voldaan op volgorde van preferentie. Daarbij wijst de Raad erop dat reeds ten tijde van de loonbetalingen en niet eerst bij het opleggen van voorschotnotaĺs premieschulden zijn ontstaan. Anders dan appellanten stellen is ook niet komen vast te staan dat gedaagde de door appellanten als reddingsplan aangeduide activiteiten heeft getorpedeerd door beslag te leggen en het faillissement van de vennootschap aan te vragen, aangezien gedaagde juist naar aanleiding van de acties van appellanten in de richting van de debiteuren is over gegaan tot beslaglegging.
Dat de debiteuren is verzocht een deel van de betalingen te reserveren met de intentie de aan gedaagde verschuldigde premies te kunnen afdragen is niet aannemelijk geworden. De Raad is met de rechtbank en gedaagde van oordeel dat het tot de verantwoordelijkheid van de vennootschap behoorde premies werknemersverzekeringen af te dragen en dat met de brief aan de schuldeisers het risico dat deze premies onbetaald zouden blijven bewust bij gedaagde is neergelegd.

Met betrekking tot de vraag of appellanten aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de premieschulden, welke zijn ontstaan voordat appellanten bestuurder waren, is de Raad evenals de rechtbank en gedaagde van oordeel dat ten tijde van het aantreden van appellanten als bestuurders voldoende geldmiddelen aanwezig waren om de al bestaande premieschulden te betalen of daarvoor een betalingsregeling te treffen.

De Raad merkt op dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gevonden om het ten aanzien van [appellant 1] genomen besluit op bezwaar te vernietigen op de grond dat in dit besluit feiten en omstandigheden zijn betrokken die niet tot de hem desbetreffende gedingstukken behoren. De Raad stelt vast dat aan de besluitvorming van gedaagde ten aanzien van [appellant 1] en [appellant 2] hetzelfde feitenmateriaal ten grondslag ligt, afgezien van het verslag van de hoorzitting betreffende [appellant 2]. Voorzover het daarbij zou gaan om aan [appellant 1] niet bekende feiten en omstandigheden, kan niet worden gezegd dat [appellant 1] door de handelwijze van gedaagde in zijn processuele belangen is geschaad.

Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x