Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT3616
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet gebleken is van omstandigheden om de verschoonbaarheid van de overschrijding van de bezwaartermijn aan te kunnen nemen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2896 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. H.M.C. van Dun, werkzaam bij Witlox advies te Rosmalen, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem, kenmerk 02/2689, van 14 april 2004.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 10 februari 2005, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden.

In de periode van 16 februari 2000 tot en met 15 maart 2000 heeft bij appellant looncontrole plaatsgevonden. Nadat de controle was uitgevoerd zijn gedaagde en appellant het tijdens een telefonisch contact eens geworden over een tweetal bezwaarpunten ten aanzien van het concept-controle rapport, hetgeen is bevestigd in een brief van 1 mei 2000. Bij ontvangst van de definitieve boetenota’s van 2 mei 2000, ontdekte appellant dat met de bezwaarpunten geen rekening was gehouden waarna wederom telefonisch contact volgde met gedaagde. Na het uitblijven van een reactie van gedaagde heeft appellant op 25 augustus 2000 schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de gecorrigeerde afrekening over 1995 en op 29 augustus 2000 tegen de gecorrigeerde afrekeningen over 1996 tot en met 1998.

Gedaagde heeft de bezwaren van appellant bij besluit van 22 november 2002 niet-ontvankelijk verklaard wegens het feit dat appellant bij het instellen van bezwaar de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken niet in acht heeft genomen, en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft vastgesteld dat er bij gedaagde sprake is geweest van miscommunicatie die gedaagde moet worden aangerekend, maar dat appellant had dienen te beseffen dat hiervan sprake was en, ter zekerstelling van de ontvankelijkheid van het bezwaar, binnen de daarvoor bestemde termijn schriftelijk bezwaar had moeten maken. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat appellant niet in verzuim is geweest.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat door de telefonische contacten met gedaagde bij hem de indruk is gewekt dat zijn bezwaarpunten in behandeling waren, dat hij om die reden op de uitkomst daarvan mocht wachten en dat hij tot dat moment geen bezwaarschrift hoefde in te dienen.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een miscommunicatie, als gevolg waarvan bij appellant verwarring is ontstaan. De Raad is echter van oordeel dat appellant op de hoogte behoorde te zijn van de manier waarop bezwaar dient te worden gemaakt tegen premienota’s. Appellant had schriftelijk een bezwaarschrift moeten indienen. Juist het feit dat bij de vaststelling van de definitieve premienota’s geen rekening was gehouden met de bezwaarpunten van appellant, zou voor hem een reden moeten zijn geweest om tegen die nota’s tijdig schriftelijk bezwaar te maken.

De verwijzing door appellant naar de uitspraak van het Hof Amsterdam van 18 oktober 2002 (zaaknummer: 01/03813), treft geen doel, nu in die uitspraak sprake was van een telefonisch contact waarvan belanghebbende na afloop als schriftelijke bevestiging een kennisgeving ontving, inhoudende dat ambtshalve een bezwaar is aangemaakt, terwijl in het onderhavige geding geen sprake is van dergelijke kennisgevingen.

Evenals de rechtbank is de Raad ook voor het overige niet gebleken van omstandigheden om de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding aan te kunnen nemen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Nu het hoger beroep niet slaagt, biedt artikel 8:73 van de Awb geen ruimte voor toewijzing van het verzoek van appellant om schadevergoeding.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x