Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT3863
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is appellante terecht op grond van artikel 16a van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door de BV in verband met door haar werknemers voor appellante verrichte werkzaamheden verschuldigde premies?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/4439 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 16 juli 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 28 december 2001, waarbij zij op grond van artikel 16a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor door [naam B.V.] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam B.V.]) in 1998 verschuldigde premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 25 juli 2003, registratienummer 02/1573, het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. L.L.J. Uijtdewilligen, belastingadviseur te Roosendaal, op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 29 oktober 2003, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 februari 2005, waar appellante - zoals aangekondigd - zich niet heeft laten vertegenwoordigen en waar voor gedaagde is verschenen mr. R. Hofland, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


In 1998 hebben werknemers van [naam B.V.] werkzaamheden verricht voor appellante. [naam B.V.] - inmiddels gefailleerd - is in gebreke gebleven bij de afdracht van premies voor de sociale werknemersverzekeringen. Afgaande op verkregen inlichtingen bij een bedrijfsbezoek op 22 mei 2001 van de directeur, de administratrice en de grootaandeelhouder van appellante heeft gedaagde de relatie tussen appellante en [naam B.V.] gekwalificeerd als inlening van personeel.

Bij besluit van 28 december 2001 is appellante op grond van artikel 16a van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door [naam B.V.] in verband met door haar werknemers voor appellante verrichte werkzaamheden verschuldigde premies ten bedrage van € 14.920,75 (f 32.881,00), welk besluit gedaagde heeft gehandhaafd bij het bestreden besluit van 16 juli 2002.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het betreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad kan zich verenigen met de door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne.

Hiermee is gegeven dat de Raad in hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd, geen aanknopingspunten heeft gevonden voor een andersluidend oordeel. Ook de Raad acht in het licht van hetgeen van de zijde van appellante op 22 mei 2001 is verklaard, geen grond aanwezig om te dezen te spreken van aanneming van werk. De onder de gedingstukken bevindende facturen van [naam B.V.] wijzen evenmin in die richting. Gelet op artikel 16a van de CSV, zoals dit artikel gold tot 1 juli 1998, deed zich voor die datum geen situatie voor waarin appellante gevrijwaard bleef van de mogelijkheid van een aansprakelijkstelling, nu [naam B.V.] niet beschikte over een vergunning als bedoeld in artikel 90 van de Arbeidsvoorzieningswet. Dit geldt evenzeer voor de periode na 1 juli 1998, zulks in verband met het per die datum aan artikel 16a van de CSV toegevoegde zesde lid. Aan het door appellante gestelde omtrent de redelijkheid van de aansprakelijkheid moet worden voorbijgegaan, nu het hier een uit de wet voortvloeiende aansprakelijkheid betreft. Aan het gestelde omtrent de aansprakelijkheid van de bestuurders van [naam B.V.] moet evenzeer worden voorbijgegaan, nu zulks feitelijke grondslag ontbeert.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dan ook dient te worden bevestigd.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x