Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT4591
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht. Zijn de premiecorrecties gebaseerd op een zorgvuldige en redelijke schatting?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/6187 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is door M.J. de Vreugd, bedrijfsjurist te Oosterbeek, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 19 november 2003 onder kenmerk 02/4333 door de rechtbank ’s-Gravenhage gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 februari 2005. Partijen hebben zich bij die gelegenheid niet doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, in overeenstemming met de strekking van het besluit op bezwaar van gedaagde van 14 oktober 2002, het standpunt ingenomen dat de administratie van appellante niet voldeed aan het bepaalde in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, dat op basis van de jaaropgaven van appellante over 1998 en 1999 de omzet van haar bedrijf niet behaald kan zijn door de in de loonadministratie opgenomen werknemers, dat er door valse facturen afgedekte loonbetalingen aan onbekende derden, niet in de loonadministratie opgenomen verzekeringsplichtige werknemers hebben plaatsgehad. Naar het oordeel van de rechtbank is door appellante niet aannemelijk gemaakt dat er daadwerkelijk personeel is ingeleend van de destijds niet meer actieve bedrijven [naam bedrijven]. De premiecorrecties over 1998 en 1999 inclusief brutering over de netto uitbetaalde bedragen, met als bewijs de gegevens ontleend aan het rapport werkgeversfraude van 17 september 2001, heeft de rechtbank als gebaseerd op juiste aannames tot de zijne gemaakt en gedaagde, onder ongegrondverklaring van het beroep van appellante, in het gelijk gesteld.

Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde beroepsgronden aangevoerd. Zij heeft met name doen benadrukken dat appellante en haar firmanten in de strafprocedure vrij van vervolging zijn gesteld en dat zij een correcte firma representeert, waardoor het onbegrijpelijk is dat de rechtbank de zaak zonder nader onderzoek met onwaarheden aan haar adres heeft afgedaan. Hiertegenover heeft gedaagde in het verweer gemotiveerd voor een bevestiging van de uitspraak van de rechtbank op de door deze ontwikkelde gronden bepleit.

De Raad oordeelt te dien aanzien dat hij het gedegen gemotiveerde standpunt van de rechtbank onderschrijft en geheel tot de zijne maakt. De premiecorrecties over 1998 en 1999 gebaseerd op een zorgvuldige en redelijke schatting met inachtneming van reële uitgangspunten, zonder bruikbare aanknopingspunten voor enig tegendeel, kunnen de toets van de Raad alleszins doorstaan. Tegen de adequate bewijsvoering met behulp van een concludent frauderapport door gedaagde, op goede gronden door de rechtbank gevolgd, heeft appellante slechts blote, niet gestaafde stellingen ontwikkeld. In het bijzonder tekent de Raad hierbij aan dat hij volgens vaste jurisprudentie niet gebonden is aan de uitkomsten van de strafprocedure, doch een eigen beoordelingsvrijheid met een vrije bewijswaardering heeft op basis van de stukken en de zitting welke de bestuursprocedure vorm en inhoud geven. Onder de gegeven omstandigheden waarin sprake is van geconstateerde evidente administratieve leemten ter zake van het administreren van en betalen aan ingeschakelde werknemers voor verantwoordelijkheid van appellante is het aan haar als werkgever tegenbewijs van gewicht te leveren. Appellante is hierin naar het oordeel van de Raad evenwel in genen dele geslaagd. Daardoor reeds komt volgens de Raad de grond te ontvallen aan de zienswijze van appellante dat de rechtbank door het wel aanwezige gefundeerde bewijs te volgen van onwaarheden is uitgegaan en tot nader onderzoek had dienen over te gaan.

Op grond van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gegeven door mr. B. J. van der Net in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x