Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT5605
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijke aansprakelijkheid voor achterstallige premies. Onbehoorlijk bestuur.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/486 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is door mr. A.J. de Boer, advocaat te Amsterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen, onder nummer 02/552, gewezen uitspraak van de rechtbank Zwolle van 20 december 2002.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met de gedingen met registratienummer 03/499 CSV en 03/501 CSV, behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 juli 2004. Appellant is daar in persoon verschenen en gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.M. Rensema, werkzaam bij het Uwv.

De Raad heeft het onderzoek daarna heropend, waarna beide partijen nadere inlichtingen hebben verstrekt.

Het geding is vervolgens, gevoegd met de gedingen met registratienummer 04/1871 CSV, 03/499 CSV en 03/501 CSV, opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 april 2005. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.J. de Boer, voornoemd. Namens gedaagde is verschenen mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten.

Op 16 juni 1994 is opgericht [de besloten vennootschap 1], waarvan appellant via [naam besloten vennootschap 2] enig aandeelhouder is. Per 17 januari 1997 is [de besloten vennootschap 3] opgericht. De onderneming werd gedreven voor rekening van [naam besloten vennootschap 2] In verband met de negatieve resultaten van [de besloten vennootschap 3] is zij met ingang van 1 januari 1998 opgeheven. De activa en passiva van [de besloten vennootschap 3] zijn verkocht aan [de besloten vennootschap 1] De overdrachtsprijs is bij wijze van verrekening voldaan. Per 5 mei 1998 is de naam van [de besloten vennootschap 1] gewijzigd in [de besloten vennootschap 4] (verder te noemen: het lichaam).
Bij vonnissen van 20 oktober 1998 zijn zowel [naam besloten vennootschap 2] als het lichaam in staat van faillissement verklaard. Op 23 februari 1999 is aan het lichaam een premienota ad f 348.000,-- betreffende de periode van 1 januari 1998 tot en met 19 oktober 1998 verzonden. Bij besluit van 9 oktober 2000 is appellant op grond van het bepaalde in artikel 16d, derde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor voornoemd bedrag. Bij besluit van 28 maart 2002 (verder te noemen: het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft appellants grief dat geen sprake is van achterstallige premie, verworpen, evenals de grief dat geen sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Hierbij heeft de rechtbank onder meer gewezen op het feit dat niet is voldaan aan de aanmeldingsplicht van de bij het lichaam in dienst zijnde werknemers en dat geen jaaropgave van het genoten loon is gedaan. Ook zijn belangrijke boedelbestanddelen van het lichaam tegen onwezenlijke prijzen dan wel om niet verkocht respectievelijk ter beschikking gesteld aan [de besloten vennootschap 5 i.o.] i.o.

Appellant heeft de juistheid van het oordeel van de rechtbank bestreden.

De Raad overweegt als volgt.

De stelling van appellant dat geen sprake zou zijn van achterstallige premie, kan de Raad niet volgen. Tot de gedingstukken behoort de nota van 23 februari 1999. De Raad ziet geen aanleiding om aan de verzending van die nota te twijfelen. De nota is verzonden aan AGS te Alphen aan den Rijn, die vanaf medio 1998 de administratie van het lichaam verzorgde. Het feit dat de nota eerst is verzonden na het faillissement van het lichaam heeft geen betekenis voor de verschuldigdheid van de desbetreffende premies door het lichaam. Bepalend is de periode waarop de nota betrekking heeft.

De vraag of gedaagde aannemelijk heeft gemaakt dat het niet betalen van de premienota het gevolg is van aan appellant te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode voorafgaand aan 20 oktober 1998, beantwoordt de Raad met de rechtbank bevestigend.

Ook voor de Raad is in voldoende mate komen vast te staan dat het lichaam niet volledig heeft voldaan aan de verplichting tijdig opgave te doen van de bij haar in dienst zijnde werknemers en evenmin aan de verplichting tot het doen van een jaarloonopgave. De stelling dat dit te wijten zou zijn aan de accountant van het lichaam, kan appellant niet baten. Eventuele fouten van de accountant dienen voor rekening en risico van het lichaam te komen.

De meest duidelijke en overtuigende argumenten voor het aannemen van aan appellant te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur zijn naar het oordeel van de Raad echter te vinden in het faillissementsverslag van 17 mei 1999 van de curator van het lichaam, mr. F.J. Schop. Hieruit blijkt van de overgang van belangrijke boedelbestanddelen om niet of tegen onwezenlijke prijzen van het lichaam naar [de besloten vennootschap 5 i.o.] i.o. Deze B.V. is op 25 november 1998 opgericht en appellants dochter [naam dochter] en zijn schoonzoon [naam schoonzoon] zijn de bestuurders van deze vennootschap. Deze gang van zaken heeft geleid tot door de curator onder [de besloten vennootschap 5 i.o.] gelegd revindicatoir beslag, waarna de rechtbank Zwolle bij vonnis van 24 maart 1999 de levering van zaken door het lichaam aan [de besloten vennootschap 5 i.o.] heeft vernietigd en laatstgenoemd bedrijf heeft veroordeeld tot afgifte van alle in beslaggenomen zaken. Dat hier sprake is geweest van een vooropgezet plan van appellant, wordt naar het oordeel van de Raad in voldoende mate bevestigd door hetgeen door voornoemd accountantskantoor AGS is verklaard in het uitgevoerde opsporingsonderzoek.

Het feit dat het lichaam in mei 1998 een rekening-courant krediet heeft afgesloten en via externe managers heeft getracht de ondergang van het lichaam af te wenden, doet aan het voorgaande niet af.

Ten aanzien van het door appellant ter zitting overgelegde proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de verklaring van M. van Veelen, overweegt de Raad dat dit proces-verbaal weliswaar ten onrechte door gedaagde niet is overgelegd, maar dat de relevante delen hiervan voorkomen in het wel overgelegde rapport werkgeversfraude van 14 juli 1999. Aan dit verzuim van gedaagde verbindt de Raad dan ook geen gevolgen.

Een en ander in ander verband beschouwd, brengt de Raad tot de conclusie dat gedaagde appellant op goede gronden hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld. Gelet echter op de door gedaagde nader verstrekte informatie betreffende de uit de boedel en twee op grond van artikel 16b CSV aansprakelijk gestelde bedrijven ontvangen betalingen, stelt de Raad vast dat de hoogte van het bedrag waarvoor appellant hoofdelijk aansprakelijk is gesteld niet juist is. Aangezien appellant van meet af aan eveneens de hoogte van het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld, heeft aangevochten, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, en daarmee de aangevallen uitspraak, in rechte geen stand kunnen houden. De Raad ziet echter wel aanleiding op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de hoogte van de aansprakelijkstelling van appellant vast te stellen op het door gedaagde nader aangegeven bedrag.

Voorts ziet de Raad aanleiding gedaagde ingevolge artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot betaling van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat appellant ingevolge het bepaalde in artikel 16d, derde lid, CSV hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag ad € 142.168,02;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, begroot op € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht ad € 111,-- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op12 mei 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x