Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT5624
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijke aansprakelijkheid voor onbetaald gebleven premies. Onbehoorlijk bestuur.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1871 CSV, 03/499 CSV en 03/501 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant 1], wonende te [woonplaats], appellant 1,
[appellant 2], wonende te [woonplaats], appellant 2,
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellant 1 is door mr. A.J. de Boer, advocaat te Amsterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle, met nummer 02/550, van 27 februari 2004.

Namens appellant 2 en appellante is door mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat te Almelo, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle, met nummers 02/506 en 02/507, van 20 december 2002.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen van appellante en appellant 2 zijn, gevoegd met het geding met registratienummer 03/486 CSV, behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 juli 2004. Appellante en appellant 2 zijn daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.C.M. Peper, advocaat te Almelo. Namens gedaagde is daar verschenen mr. D.M. Rensema, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

De Raad heeft het onderzoek heropend, waarna gedaagde desgevraagd nadere stukken heeft ingezonden.

Alle drie de gedingen zijn vervolgens, gevoegd met het geding met registratienummer 03/486 CSV, behandeld ter zitting van de Raad van 14 april 2005. Appellanten zijn daar in persoon verschenen. Appellante en appellant 2 zijn bijgestaan door mr. C.C.M. Peper, voornoemd, en appellant 1 is bijgestaan door mr. A.J. de Boer, voornoemd.
Namens gedaagde is verschenen mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

Appellant 1 is de vader van appellante en de schoonvader van appellant 2.
Appellant 1 was via [de besloten vennootschap 1] enig aandeelhouder en bestuurder van [de besloten vennootschap 2] (verder te noemen: [de besloten vennootschap 2]). Bij vonnissen van 20 oktober 1998 zijn genoemde [de besloten vennootschap 1] en [de besloten vennootschap 2] in staat van faillissement verklaard. Tot medio 1998 waren appellant 2 en appellante in loondienst bij verschillende ondernemingen van appellant 1. Per 11 september 1998 is in het Handelsregister ingeschreven [de besloten vennootschap 3] i.o., waarna op 25 november 1998 is opgericht [de besloten vennootschap 3] (verder te noemen: het lichaam), waarvan appellant 2 en appellante bestuurder waren. Op 3 februari 1999 is het faillissement van het lichaam uitgesproken. Bij afzonderlijke besluiten van 9 oktober 2000 zijn appellanten op grond van het bepaalde in artikel 16d, derde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door het lichaam over 1998 en 1999 onbetaald gelaten premies en de over 1998 onbetaald gelaten boete tot een bedrag van in totaal f 74.887,45. Ten aanzien van appellant 1 is onder meer overwogen dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of medebepaald als ware hij bestuurder. Bij besluiten van 28 maart 2002 (de bestreden besluiten) zijn de bezwaren tegen de besluiten van 9 oktober 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft ten aanzien van appellant 1 overwogen dat hij feitelijk het beleid binnen het lichaam bepaalde en ten aanzien van alle drie de appellanten overwogen dat het niet betalen van de premies en boete het gevolg is van aan appellanten te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Ten aanzien van appellant 1 heeft de rechtbank ook overwogen dat de feiten waarop de boete betrekking heeft, andere zijn dan waarop de dagvaarding van 24 juli 2001 betrekking heeft.

Appellanten hebben de juistheid van het oordeel van de rechtbank bestreden.
De Raad overweegt als volgt.

Ten aanzien van de grief van appellante en appellant 2 met betrekking tot de onduidelijkheid in de samenstelling van het bedrag van de hoofdelijke aansprakelijkstelling overweegt de Raad allereerst dat gedaagde in ieder geval met de bij brief van 29 september 2004 gegeven toelichting de vereiste duidelijkheid heeft verstrekt, zodat deze grief geen verdere bespreking behoeft.

Ten aanzien van appellant 1 overweegt de Raad, in navolging van gedaagde en de rechtbank, dat in voldoende mate is komen vast te staan dat appellant 1 binnen het lichaam het beleid (mede) bepaalde. Daargelaten hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de gang van zaken rondom de controle door A.C.M. Stapel en S. Kuyer op 19 november 1998, is de Raad van oordeel dat uit het overgrote deel van de door gedaagde ingebrachte verklaringen overtuigend het beeld naar voren komt dat appellant 1 degene was die de feitelijke leiding bij het lichaam had en de gang van zaken bepaalde. Gelet op het bepaalde in artikel 16d, zesde lid, aanhef en onder b, van de CSV kan appellant 1 dan ook als bestuurder in de zin van artikel 16d van de CSV worden aangemerkt.

Met betrekking tot de vraag of sprake is geweest van aan appellanten te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, acht de Raad allereerst van belang dat het lichaam heeft verzuimd correcte jaarloonopgaven in te dienen, wat onder meer aanleiding is geweest een boete over 1998 op te leggen. Dat appellanten ten aanzien hiervan geen verwijt kan worden gemaakt, is de Raad niet gebleken.

Voorts acht de Raad van belang hetgeen is vermeld in het faillissementsverslag d.d. 17 mei 1999 van de curator van [de besloten vennootschap 2], mr. F.J. Schop. Hieruit blijkt van de overgang van belangrijke boedelbestanddelen om niet of tegen onwezenlijke prijzen van [de besloten vennootschap 2] naar het lichaam. Dit heeft geleid tot door de curator onder het lichaam gelegd revindicatoir beslag, waarna de rechtbank Zwolle bij vonnis van 24 maart 1999 de levering van zaken van [de besloten vennootschap 2] aan het lichaam heeft vernietigd en het lichaam heeft veroordeeld tot afgifte van alle in beslaggenomen zaken. Dat hier sprake is geweest van een vooropgezet plan, wordt naar het oordeel van de Raad in voldoende mate bevestigd door hetgeen door het accountantskantoor AGS is verklaard in het uitgevoerde opsporingsonderzoek.
Door aan een dergelijke constructie mee te werken hebben appellanten bewust het risico genomen dat het faillissement van [de besloten vennootschap 2] grote nadelige gevolgen voor het lichaam kon hebben, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd.
De beslaglegging door curator Schop is de directe aanleiding geweest voor het faillissement van het lichaam, zodat niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het niet betalen van de verschuldigde premie en boete het gevolg is van aan appellanten te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Ten aanzien van appellant 1 onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot het verschil in feiten waarop de boete over 1998 is gebaseerd, en de feiten die zijn vermeld in de dagvaarding van 24 juli 2001.

Een en ander in onderling verband beschouwd, brengt de Raad tot de conclusie dat gedaagde appellanten op goede gronden hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld. Naar ook ter zitting van 14 april 2005 namens gedaagde is erkend, is bij de berekening van de verschuldigde premie ten onrechte appellant 1 als werknemer van het lichaam aangemerkt. Dat betekent dat het bedrag aan verschuldigde premies en daarmee ook de verschuldigde boete en het bedrag van de hoofdelijke aansprakelijkstelling van appellanten te hoog zijn en dienen te worden bijgesteld. Dit brengt mee dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraken - de bestreden besluiten in rechte geen stand kunnen houden.

In het voorgaande ziet de Raad aanleiding gedaagde ingevolge artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot betaling van de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep. Deze kosten zijn voor appellant 1 begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Voor appellant 2 en appellante zijn de kosten, nu het samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht betreft, begroot op € 644,-- in beroep en € 966,-- in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant 1, begroot op € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante en appellant 2, begroot op € 1.610,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant 1 betaalde griffierecht van € 131,-- aan hem vergoedt;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant 2 betaalde griffierecht van € 111,-- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x