Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT5974
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Privaatrechtelijke dienstbetrekking. Montagewerkzaamheden en incidenteel transportwerkzaamheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2929 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft D. Meijer, werkzaam bij Romevo B.V. te Badhoevedorp, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 april 2004 met kenmerk 03/822.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 april 2005, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door D. Meijer, en gedaagde met voorafgaand bericht niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden en de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.

Appellante is een nationale en internationale transport- en expeditieonderneming die zich ook bezighoudt met object her- en verplaatsing en het monteren van reclameprojecten in elke willekeurige hoedanigheid. Bij een op 17 april 2002 bij appellante verrichte looncontrole is onder meer geconstateerd dat in 2000 en 2001 betalingen zijn gedaan aan [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] (hierna: betrokkenen) voor verrichte montagewerkzaamheden en - ten aanzien van [betrokkene 1] - incidenteel transportwerkzaamheden. Appellante heeft deze betalingen niet verantwoord in de loonadministratie. Gedaagde heeft op grond van het ingestelde onderzoek verzekeringsplicht aangenomen ten aanzien van betrokkenen op de grond dat de arbeidsverhouding tussen appellante en hen moet worden aangemerkt als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Vervolgens heeft gedaagde aan appellante, voorzover van belang, over de jaren 2000 en 2001 correctienota’s en boetenota’s opgelegd. Bij besluit van 24 februari 2003 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 24 februari 2003 ongegrond verklaard. Zij is op de in de aangevallen uitspraak uiteengezette gronden tot het oordeel gekomen dat is voldaan aan de drie vereisten voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, te weten de verplichting tot loonbetaling, de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en de gezagsverhouding. Het bezit van een verklaring arbeidsrelatie van de Belastingdienst kan naar het oordeel van de rechtbank geen rol spelen, nu verzekeringsplicht wordt aangenomen op grond artikel 3 van bedoelde wetten.
De rechtbank is voorts tot de conclusie gekomen dat gedaagde terecht aan appellante over de jaren in geding correctienota’s heeft opgelegd. Wat betreft de boetenota’s is de rechtbank van oordeel dat appellante wist dan wel behoorde te weten dat zij opgave moest doen van het aan betrokkenen betaalde loon, en dat het in ieder geval op haar weg had gelegen om bij gedaagdes rechtsvoorganger informatie in te winnen naar de aard van de arbeidsrelaties die zij met betrokkenen was aangegaan. Op grond hiervan is de rechtbank met gedaagde van oordeel dat sprake is van grove schuld aan de zijde van appellante.

In hoger beroep heeft appellante de juistheid van het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden. Appellante houdt staande dat aan geen der vereisten voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. In de in hoger beroep aangevoerde beroepsgronden heeft hij geen aanleiding gevonden de uitspraak van de rechtbank voor onjuist te houden. Met betrekking tot het vereiste van persoonlijke dienstverrichting merkt de Raad nog op dat betrokkenen zich ook naar zijn oordeel niet konden laten vervangen door willekeurige derden; voorzover sprake is geweest van vervanging, betrof dit onderlinge vervanging door een van de aan appellante bekende vier betrokkenen. De transportwerkzaamheden, welke W.A. van Beek naast het montagewerk incidenteel heeft verricht met gebruikmaking van de vervoersvergunning en transportmiddelen van appellante, moeten naar het oordeel van de Raad eveneens als verzekeringsplichtige arbeid worden aangemerkt.

De Raad wijst er tot slot op dat de verklaringen arbeidsrelatie welke betrokkenen van de Belastingdienst hebben verkregen, voorzover deze zien op de jaren en de werkzaamheden in geding, niet uitsluiten dat verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten wordt aangenomen.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x