Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT6395
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn de correctie- en boetenota's, betrekking hebbend op het in mindering brengen van de kosten van kinderopvang op het brutoloon van werknemers die deelnemen aan het in het bedrijf geldende kinderopvangregeling, terecht opgelegd?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2775 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 4 februari 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen een registratie van een administratief verzuim van 9 oktober 2000, tegen correctienota’s van 9 oktober 2000 over de jaren 1995 tot en met 2000 en tegen boetenota’s van 16 oktober 2000 over de jaren 1995 tot en met 1999 deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

Hangende dit beroep heeft gedaagde bij besluit van 27 mei 2002 voormeld besluit herzien.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 14 april 2003, registratienummer 02/540, appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen het besluit van 4 februari 2002, het beroep van appellante tegen het besluit van 27 mei 2002 ongegrond verklaard en gelast dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht vergoedt.

Namens appellante is mr. H.J. van den Kerkhof, belastingadviseur bij appellante, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 23 juli 2003, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 januari 2005, waar voor appellante is verschenen mr. Van den Kerkhof, voornoemd, en waar voor gedaagde zijn verschenen mr. M.J. Beelen en mr. D.B. Smaalders, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat in hoger beroep uitsluitend in geschil zijn de aan appellante opgelegde correctie- en boetenota’s over de jaren 1995 tot en met 1999, voorzover gehandhaafd/gewijzigd bij het in rubriek I vermelde besluit van 27 mei 2002 en voorzover betrekking hebbende op het in mindering brengen van de kosten van kinderopvang op de brutolonen van de werknemers van appellante die deelnemen aan de in haar bedrijf geldende kinderopvangregeling.

Vorenbedoelde nota’s zijn een uitvloeisel van een bij appellante vanwege gedaagde gehouden looncontrole, waarvan op 5 juli 2000 rapport is opgemaakt. Dit rapport vermeldt onder “Loon in natura, Kinderopvang” het volgende:
"Vanaf 1996 worden werknemers in de gelegenheid gesteld om via de werkgever kinderopvang te regelen. Zodoende zijn t/m 1998 de volledige kosten van kinderopvang op het brutoloon van de betreffende werknemers in mindering gebracht. Vanaf 1999 wordt per werknemer op jaarbasis f 8.000,- van de kosten voor kinderopvang door de werkgever vergoed. Het eventuele surplus wordt op het brutoloon in mindering gebracht. Het aldus verlaagde loon wordt gezien als het basisloon voor de fiscale bijtelling in verband met kinderopvang.
Conform het beleid van de uitvoeringsinstelling was het t/m 1999 niet toegestaan om de kosten van kinderopvang bij een werknemer te verhalen middels een verlaging van het brutoloon. Het beleid van de uitvoeringsinstelling is in die zin gewijzigd, dat vanaf 01-01-2000 een werkgever hiertoe een verzoek voor goedkeuring kan indienen bij de uitvoeringsinstelling.
De door de werkgever gehanteerde methodiek over de gecontroleerde periode wordt zodoende niet geaccepteerd."

Bij het looncontrolerapport is gevoegd de regeling kinderopvang van appellante, zoals deze geldt met ingang van 1 april 1999. Hieruit blijkt dat werknemers een financiële tegemoetkoming krijgen van maximaal f. 8.000,--, gebaseerd op een full-time dienstverband. De regeling vermeldt onder meer:
"Voor de resterende kosten kunt u gebruik maken van een fiscale regeling. U kunt de kosten dan desgewenst laten inhouden op uw bruto salaris. U bespaart dan loonheffing en premies sociale verzekeringen. Daartegenover staat, dat u een relatief laag bedrag betaalt aan loon in natura. Als u ervoor kiest uw bruto salaris te laten verminderen, moet u een aanvullende arbeidsovereenkomst ondertekenen
(...)
Bruto of netto
Liggen de werkelijke kosten hoger dan de ABAB-bijdrage, dan houdt ABAB het restant in op uw salaris. U kunt daarbij kiezen voor een inhouding op uw netto of uw bruto salaris. Kiest u het bruto salaris, dan bespaart u loonheffing en premies sociale verzekeringen.
Een verlaging van uw bruto salaris kan nadelig zijn. De uitkeringsgrondslag voor de sociale verzekeringen (met uitzondering van de ziektewet) daalt er namelijk door. Dit geldt overigens alleen als uw loon onder de maximumdagloongrens ligt. Tenslotte kunt u door een verlaging van uw bruto salaris onder de ZFW-grens duiken. Een lager bruto salaris heeft geen invloed op eventuele jubileumuitkeringen, overlijdensuitkeringen en uw pensioen."

Ter zitting van de Raad is namens appellante verklaard dat, behoudens het bedrag dat in mindering werd gebracht, ook in de jaren voor 1 april 1999 haar kinderopvangregeling op deze wijze werd toegepast. Bij de verlaging van het brutoloon werd rekening gehouden met de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen. Premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten werden in de betrokken jaren afgedragen met toepassing van de op artikel 8, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering gebaseerde ministeriële regeling inzake de waardering van loon in natura.

In bezwaar heeft appellante erop gewezen dat de Belastingdienst haar kinderopvangregeling heeft geaccepteerd. Voorts heeft zij aangevoerd dat het gehanteerde beleid niet bindend is, aangezien zij met haar werknemers een verlaging van het brutoloon kan en mag overeenkomen.

Bij zijn besluit van 27 mei 2002 heeft gedaagde overwogen dat hij geen omstandigheden aanwezig acht die tot afwijking van bedoeld beleid zouden moeten leiden. Voorts heeft hij erop gewezen dat hij een eigen verantwoordelijkheid heeft ter zake van de uitvoering van de sociale zekerheidswetgeving.

Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid en gedaagde als verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het in mindering brengen van de kosten op het brutoloon van de desbetreffende werknemers niet - geheel - in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, en onder o, van de CSV, nu hierin gesproken wordt over vergoedingen ter dekking van kosten voor kinderopvang. Daarbij laat de rechtbank de vraag in het midden of het beleid, waarop verweerders standpunt ter zake is gestoeld, al dan niet bindend is. Reeds op grond van de tekst van de wettelijke bepaling kan geen sprake zijn van toepassing van voornoemde uitzonderingsbepaling. Dat verweerder vanaf 2000 hiermee anders omgaat in die zin dat op verzoek toestemming kan worden verleend voor vergoeding in de vorm van het verlagen van het brutoloon doet daaraan niet af.
Voorts is verweerder niet gebonden aan de afspraken die eiseres met de fiscus heeft gemaakt, aangezien verweerder ten aanzien ven de premies sociale verzekeringen een eigen verantwoordelijkheid heeft."

In hoger beroep heeft appellante herhaald haar stelling dat het beleid van gedaagde niet bindend is. Naar haar mening kon de rechtbank de vraag of dit beleid al dan niet bindend is, niet in het midden laten. Daarbij heeft zij erop gewezen dat gedaagde zijn beleid in 2000 heeft gewijzigd zonder dat de wettelijke bepalingen zijn gewijzigd.

In zijn verweerschrift heeft gedaagde aangegeven dat hij geen beleid voert met betrekking tot artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o, van de CSV. Het beleid waaraan de looninspecteur in zijn rapport van 5 juli 2000 refereert, betreft het zogeheten cafetariasysteem, vervat in LISV-mededeling M2000.028 van 15 maart 2000. Voorzover de verstrekking door appellante aan haar medewerkers terzake van de kinderopvang moet worden opgevat als een onderdeel van dit systeem, meent gedaagde dat niet aan alle hierbij gestelde voorwaarden is voldaan. De door appellante gerealiseerde contractloonverlaging is namelijk niet volledig gerealiseerd, in het bijzonder met betrekking tot de pensioengrondslag (tot en met 2000), jubileumuitkeringen, overlijdensuitkeringen en blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank ook niet bij de premieberekening in het kader van de Ziekenfondswet. Voorts heeft gedaagde betwist dat de werknemers van appellante hebben getekend voor een brutoverlaging van hun salaris in ruil voor een vergoeding ten behoeve van kinderopvang. De brutoloonverlaging betreft een tijdelijke verlaging. Naar de mening van gedaagde is feitelijk sprake van een lening.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of de kinderopvangregeling van appellante al dan niet voorziet in een reële loonsverlaging. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, gaat het te dezen niet om toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o, van de CSV.

De Raad stelt voorts vast dat gedaagde eerst in het verweerschrift heeft aangegeven dat het beleid waarover in het looncontrolerapport en het bestreden besluit wordt gesproken, het zogeheten cafetariasysteem betreft, vervat in mededeling M2000.028 van 15 maart 2000. Blijkens deze mededeling accepteert gedaagde een loonsverlaging als de onderwerpelijke indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- het moet gaan om toekomstige loonelementen (geen reeds genoten loon); en
- de contractloonverlaging dient volledig (met alle consequenties, zoals voor dagloon, ziekenfondsloongrens en vakantietoeslag) gerealiseerd te worden; en
- de verschuldigde bijdrage of de verstrekking is uitgezonderd ingevolge de CSV of daaruit voortvloeiende regelgeving; en
- de regeling mag niet ingaan tegen dwingendrechtelijk voorgeschreven regels (zoals Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag).

De Raad is van oordeel dat gedaagde onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij de kinderopvangregeling van appellante niet heeft geaccepteerd. Het standpunt van gedaagde dat de loonsverlaging niet volledig is gerealiseerd, behoeft naar het oordeel van de Raad nog niet met zich te brengen dat geen sprake is van een reële loonsverlaging. In dit verband acht de Raad niet zonder betekenis dat de Belastingdienst de regeling van appellante heeft geaccepteerd, zij het dat, naar ter zitting is gebleken, deze dienst een aanpassing met betrekking tot de pensioenaanspraken wenste. Hoewel niet ontkend kan worden dat gedaagde een eigen verantwoordelijkheid heeft, kan nochtans aan de aanvaarding van de regeling door de Belastingdienst niet iedere betekenis worden ontzegd, in het bijzonder met betrekking tot de pensioenaanspraken en dit in het licht van het bepaalde in hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964. Nu het in dit geval gaat om premieheffing in het kader van de sociale werknemersverzekeringswetten, acht de Raad vooral van betekenis of en in hoeverre de loonsverlaging consequenties heeft voor het dagloon waarnaar een eventueel toe te kennen uitkering krachtens deze wetten wordt berekend. De Raad is niet gebleken dat het hieromtrent gestelde in de regeling van appellante, zoals hiervoor weergegeven, niet juist zou zijn. Voorzover al moet worden aangenomen dat de premieberekening door appellante in het kader van de Ziekenfondswet niet heeft plaatsgevonden op een wijze zoals zij zelf in haar regeling heeft aangegeven, behoeft zulks nog niet te leiden tot het door gedaagde ingenomen standpunt. Veeleer had het in dat geval in de rede gelegen tot aanvullende premieheffing over te gaan. De stelling van gedaagde dat de werknemers niet hebben getekend voor een brutoverlaging van hun salaris, vindt geen steun in de gedingstukken. Het looncontrolerapport maakt hiervan geen melding. De opmerking in het verweerschrift dat er slechts sprake is van een lening, kan de Raad evenmin goed plaatsen.

Op grond van het hiervoor overwogene komt de Raad dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit met betrekking tot de kinderopvangregeling van appellante niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde - uiterst summiere - motivering. Dit betekent dat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt en in het voetspoor daarvan eveneens de aangevallen uitspraak.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbende op de door appellante gehanteerde kinderopvangregeling;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 27 mei 2002 in zoverre;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van € 348,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. C.M. van Wechem en
mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) W.J.M. Fleskens.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x