Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT7332
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Heeft appellante bij de overtreding van de loonopgaveverplichting dusdanig verwijtbaar gehandeld dat sprake is van grove schuld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/730 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft drs. J. van Leeuwaarden, belastingadviseur te Capelle aan den IJssel, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2003 met kenmerk 03/1548.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 maart 2005, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. Van Leeuwaarden, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. Beelen, werkzaam bij het Uwv.

Vervolgens is het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend, omdat het onderzoek naar het oordeel van de Raad niet volledig is geweest. Partijen hebben de Raad nadere inlichtingen verstrekt. Met toestemming van partijen is het houden van een nadere zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.

Op grond van een medio 1998 bij appellante uitgevoerde looncontrole, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 14 augustus 1998, heeft gedaagde, voorzover hier van belang, over het jaar 1998 een correctienota en over de jaren 1993 tot en met 1997 boetenota’s ter hoogte van 5% van de over die jaren verschuldigde premies opgelegd. Bij besluit van 4 april 2003 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen deze nota’s ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 april 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Wat betreft de correctienota over 1998 is zij van oordeel dat gedaagde terecht heeft besloten de over de jaren 1993 tot en met 1997 na te heffen loonheffing in het premieloon voor het jaar 1998 te begrijpen, zonder dat vaststaat dat de betrokken werknemers dit voordeel zullen genieten. In dit verband acht de rechtbank van belang dat gedaagde heeft aangegeven dat de premienota vervalt, indien appellante alsnog aantoont dat de niet ingehouden loonheffing op de betrokken werknemers is verhaald, dan wel indien blijkt dat de Belastingdienst van naheffing van de loonheffing afziet. Het ligt op de weg van appellante een van deze omstandigheden aan te tonen, wat zij niet heeft gedaan. Met betrekking tot de boetenota’s is de rechtbank van oordeel dat appellante bij de overtreding van de loonopgaveverplichting dusdanig verwijtbaar heeft gehandeld dat sprake is van grove schuld.

In hoger beroep heeft appellante naast de in beroep aangevoerde gronden naar voren gebracht dat over de betalingen aan Rietdijk inkomstenbelasting is afgedragen en dat de Belastingdienst naar moet worden aangenomen om die reden naheffing van loonbelasting en premies werkgeversverzekeringen achterwege heeft gelaten. Subsidiair is aangevoerd dat de uurvergoeding van Rietdijk veel hoger was dan een gebruikelijk uurloon, zodat van een bruto- en niet van een nettoloonafspraak sprake was. Om die redenen moet brutering volgens appellante achterwege blijven. Wat betreft de bovenmatig uitbetaalde onkostenvergoedingen heeft appellante nog niet besloten of zij de verschuldigde loonbelasting voor haar rekening neemt dan wel verhaalt op de werknemers. Met betrekking tot de boeten meent appellante dat haar geen verwijtbaar handelen kan worden aangerekend en dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De Raad stelt vast dat aan de premiecorrectie over het jaar 1998 het standpunt van gedaagde ten grondslag ligt dat de werknemers van appellante door het achterwege blijven van loonheffing over het als loon aan te merken gedeelte van de vuilwerktoeslag een voordeel hebben genoten, dat als loon uit dienstbetrekking in de zin van artikel 4, eerste lid, van de CSV dient te worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor Rietdijk, omdat op de aan hem over de jaren 1993 tot en met 1998 betaalde vergoedingen geen loonheffing is toegepast.

Indien een werkgever geen of te weinig loonbelasting en/of premies volksverzekeringen heeft ingehouden en de van hem nageheven loonbelasting en/of premies volksverzekeringen niet op de betrokken werknemer verhaalt, geniet deze werknemer een voordeel uit dienstbetrekking ten bedrag van de niet ingehouden loonbelasting en premie. Dit voordeel wordt, gebruteerd, in aanmerking genomen als loon, afhankelijk van de situatie hetzij aanstonds door brutering van het netto genoten loon, hetzij op een later tijdstip als een afzonderlijk loonbestanddeel. Laatstgenoemde situatie doet zich hier voor.

Uit de thans beschikbare gegevens blijkt dat de Belastingdienst over de jaren 1993 en 1995 tot en met 1997 niet tot naheffing is overgegaan wegens het verstrijken van de verjaringstermijn, en de op 30 december 1999 over het jaar 1994 opgelegde naheffing ambtshalve alsnog op nihil heeft gesteld. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat geen sprake is geweest van voordeel uit dienstbetrekking voor de betrokken werknemers, zodat de premiecorrectienota’s over het jaar 1998 niet in stand kunnen blijven.

Met betrekking tot de boetenota’s overweegt de Raad dat deze nota’s verband houden met het niet doen van loonopgave over de in de jaren 1993 tot en met 1998 aan Rietdijk verrichte betalingen en over de aan haar chauffeurs ten titel van onkostenvergoedingen betaalde vuilwerktoeslag. Gelet op de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 17 april 2003, LJN AF8263, staat in rechte onaantastbaar vast dat appellante in strijd met de ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering op haar rustende verplichting geen volledige loonopgave heeft gedaan. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat aan appellante in verband hiermee op goede gronden een boete is opgelegd ter hoogte van 5% van de over de betreffende jaren verschuldigde premie. In het bijzonder ziet de Raad geen grond voor de door appellante met een beroep op het vertrouwensbeginsel betrokken stelling dat zij een pleitbaar standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de verzekeringsplicht van Rietdijk en de bovenmatigheid van de onkostenvergoedingen. Voor de verzekeringsplicht van Rietdijk geldt dat deze van rechtswege ontstaat en dat algemene beginselen van bestuur daarbij geen rol spelen. Wat betreft de bovenmatigheid van de onkostenvergoeding volstaat de Raad met een verwijzing naar zijn bovengenoemde uitspraak.

De Raad stelt voorts vast dat na de brief van 25 augustus 1998, waarmee de onderhavige boetenota’s zijn aangekondigd, inmiddels bijna 7 jaren zijn verstreken. Deze termijn is dermate lang dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De Raad vindt hierin aanleiding de boetes met 50% te matigen.

Gezien het voorgaande zal de Raad met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 4 april 2003 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding om met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid de premienota van 30 september 1998 te vernietigen omdat deze op dezelfde grond niet in stand kan blijven. De Raad acht het aangewezen met betrekking tot de boeten eveneens zelf in de zaak te voorzien door de boeten over de jaren 1993 tot en met 1997 vast te stellen op 50% van respectievelijk
f 83,--, f 121,--, f 136,--, f 186,-- en f 265,--. Gegeven het feit dat ingevolge artikel 7 van het Boetebesluit werkgevers geen boete van minder dan f 100,-- (thans: € 45,--) wordt opgelegd, zal de Raad de boetenota’s over de jaren 1993 tot en met 1996 vernietigen en bepalen dat de aan appellante over het jaar 1997 opgelegde boete wordt verlaagd naar - afgerond - € 60,--.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 april 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;
Vernietigt de premienota over het jaar 1998 van 30 september 1998 alsmede de boetenota’s van 5 oktober 1998 over de jaren 1993 tot en met 1996;
Bepaalt dat aan appellante ver het jaar 1997 een boete van € 60,-- wordt opgelegd;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 580,--vergoedt.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2005.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x