Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT8092
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Boeteoplegging wegens niet tijdig indienen van de jaaropgave. De evenredigheid van de opgelegde boete met het gepleegde verzuim.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1952 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft W. van der Stad, directeur van appellante, op bij beroepschrift van 11 april 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ĺs-Gravenhage van 28 maart 2003, kenmerk 02/1078.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 januari 2005, waar appellante niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Krikke en mr. M. Mulder, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de feiten die ook de rechtbank als vaststaand heeft aangenomen.

Bij besluit van 22 november 2001 heeft gedaagde appellante wegens het niet tijdig indienen van de jaaropgave over het jaar 2000 een boete opgelegd van f 20.000,-- ofwel afgerond Ç 9.075,--. De boete is blijkens de toelichting op het besluit met toepassing van artikel 12, tweede of derde lid, van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de artikelen 3, 4 en 5 van het Boetebesluit werkgevers CSV van 29 mei 2000, Stb. 2000, 247 (hierna: het Boetebesluit) in beginsel bepaald op 37,5% van de ambtshalve opgelegde premie. De afstemming op grond van artikel 17 van het Besluit toepassing bestuurlijke boeten CSV van 1 november 2000, Stcrt. 2000, 221 (hierna: het Toepassingsbesluit) heeft ertoe geleid dat de boete uiteindelijk 20% bedraagt van de ambtshalve vastgestelde premie, evenwel gemaximeerd op f 20.000,--. Gedaagde heeft de overtreding gekwalificeerd als een vergrijp omdat deze aan opzet of grove schuld is te wijten, nu appellante verschillende keren is verzocht de jaarloonopgaven in te zenden en zij dit niet heeft gedaan. Daarbij heeft gedaagde kennelijk uitvoering gegeven aan haar beleid als vervat in artikel 10, aanhef en onder a, juncto artikel 11 van het Toepassingsbesluit. Er is sprake van een derde overtreding. De boetenota is op 26 november 2001 aan appellante opgelegd.

Bij besluit van 8 maart 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 22 en 26 november 2001 ongegrond verklaard. Gedaagde is gebleven bij zijn standpunt dat, nu de overtreding te wijten is aan opzet of grove schuld, sprake is van een vergrijp en heeft in het besluit op bezwaar onder meer overwogen dat appellante de jaaropgave ook na twee rappellen niet heeft ingezonden, doch eerst in oktober 2001 heeft ingediend nadat aan appellante de aankondigingsbrief betreffende de boetenota van 27 september 2001 was verzonden, dat appellante als werkgever bekend mag worden verondersteld met onderhavige verplichting tot het doen van tijdige jaaropgaven en dat appellante terzake van de loonopgaveverplichting reeds eerder een overtreding heeft begaan. Naar aanleiding van het alsnog indienen van de jaaropgaven is de boete vastgesteld op 20% van de gecorrigeerde afrekeningsnota over 2000, die f 108.468,-- bedroeg. Het boetebedrag is gehandhaafd op f 20.000,--. Weliswaar was de vastgestelde voorschotnota ad f 149.529,-- over 2000 hoger dan de definitieve vastgestelde premie, maar omdat appellante de voorschotnota slechts tot een bedrag van f 93.605,-- had voldaan, was er sprake van premienadeel.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 8 maart 2002 ongegrond verklaard en heeft daartoe overwogen dat het risico van het niet aankomen van een poststuk dat niet aangetekend is verzonden, bij de verzender ligt, tenzij deze op andere wijze kan aantonen dat het stuk tijdig is verzonden. Met gedaagde is de rechtbank van oordeel dat de door appellante in beroep overgelegde verklaringen niet toereikend waren als bewijs dat de jaaropgave over 2000 tijdig aan gedaagde was verzonden. Gedaagde heeft dan ook terecht gesteld dat appellante de verplichting de jaaropgave voor 1 februari 2001 te doen, niet heeft nageleefd. De rechtbank acht het oordeel van gedaagde dat er sprake was van een vergrijp niet onjuist of onredelijk. Met betrekking tot de hoogte en de berekening van de boete is de rechtbank niet gebleken van onjuistheden. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat toepassing van het met ingang van 1 april 2002 in werking getreden Toepassingsbesluit 2002 niet zou leiden tot een voor appellante gunstiger resultaat.

Appellante stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat er voor haar geen enkele reden zou zijn de jaarloonopgaven niet tijdig ter post te bezorgen daar de sociale premies zijn voldaan, en heeft twee verklaringen overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat de jaarloonopgaven wel tijdig ter post zijn bezorgd. Appellante acht de opgelegde boete in verhouding tot de ernst van het verzuim onevenredig hoog en stelt voorts dat op de werkgever niet de verplichting rust een jaarloonopgave aangetekend aan gedaagde te verzenden.

Gedaagde heeft daar ter zitting van de Raad tegenover gesteld dat de overgelegde verklaringen niet als bewijs van verzending kunnen gelden, nu de enkele zonder enig verder bewijsstuk gestaafde stelling van de directeur en de belastingadviseur van appellante dat zij de jaaropgave op 25 januari 2001 ter post hebben bezorgd, onvoldoende is om aan te tonen dat het stuk tijdig is verzonden.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat gedaagde de jaaropgave van appellante over het jaar 2000 niet binnen de daarvoor in artikel 12, eerste lid, van het Loonadministratiebesluit gestelde termijn heeft ontvangen en evenmin een reactie van appellante heeft ontvangen op (ten minste) twee nadien aan appellante verzonden rappellen. Appellante houdt in hoger beroep staande dat zij de jaaropgave wel tijdig heeft ingezonden, maar zij is er naar het oordeel van de Raad niet in geslaagd dat aannemelijk te maken. Daartoe zijn de overgelegde verklaringen in elk geval niet voldoende. De Raad is dan ook met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat appellante niet op de juiste wijze heeft voldaan aan de voor haar op grond van artikel 10, tweede lid, van de CSV geldende verplichting tot het doen van loonopgave over 2000. Gedaagde was dan ook gelet op artikel 12 van de CSV gehouden appellante een boete op te leggen.

De Raad staat vervolgens voor de beantwoording van de vraag of gedaagde de onderhavige overtreding van de verplichting op grond van artikel 10, tweede lid, van de CSV terecht heeft aangemerkt als een vergrijp.

De Raad overweegt dat artikel 12, tweede en derde lid, van de CSV de omschrijving geeft van de gedraging op grond waarvan het Uwv gehouden is een boete op te leggen. Die gedraging is het niet, niet juist of niet volledig voldoen aan een op grond van artikel 10, tweede lid, van de CSV gestelde verplichting. Is die gedraging geconstateerd, dan geldt de in het tweede lid van artikel 12 omschreven boete van ten hoogste 10% van het verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan premie of voorschotpremie. De ôdelictsomschrijvingö van de overtreding is daarmee vervat in het tweede lid. Lid 3 voorziet in een maximale boete van 100% van bedoeld bedrag, in het geval dat de geconstateerde gedraging is te wijten aan opzet of grove schuld van de werkgever.

Terzake van het niet tijdig indienen van de jaaropgavekaarten is de werkgever op 1 februari van het kalenderjaar volgend op dat waarop de jaaropgavekaarten betrekking hebben in overtreding indien de jaaropgavekaarten niet vˇˇr 1 februari van dat kalenderjaar bij de uitvoeringsinstelling zijn ingeleverd (artikel 4, eerste lid, van het Toepassingsbesluit). Dit brengt naar het oordeel van de Raad mee dat gedragingen of omstandigheden die zich voordoen na de overtreding, zoals de mate waarin de werkgever de termijn voor de voldoening aan de loonopgaveverplichting heeft overschreden en de vraag of hij heeft gereageerd op rappellen van gedaagde, in de artikelen 10, aanhef en onder a, en 11 van het Toepassingsbesluit ten onrechte zijn gehanteerd als criterium voor de kwalificatie van die overtreding. Deze gedragingen of omstandigheden kunnen hooguit achteraf een licht werpen op de vraag of de werkgever zich ten tijde van de overtreding ervan bewust was dat hij in overtreding was.

Dit oordeel ligt in het verlengde van de overweging van de Raad in zijn uitspraak van 2 maart 2000 (USZ 2000/114) dat het niet tijdig indienen van de jaaropgave als een op zichzelf staand verzuim is te beschouwen, waarbij de Raad thans aantekent dat hij met de term verzuim destijds doelde op een overtreding van de verplichting van artikel 10, tweede lid, van de CSV.

In het geval van appellante heeft gedaagde de overtreding in het primaire besluit als vergrijp gekwalificeerd enkel omdat appellante de jaaropgavekaarten ook na twee rappellen niet heeft ingezonden. In het besluit op bezwaar is deze motivering gehandhaafd, doch daaraan is als motivering toegevoegd dat appellante als werkgever bekend mag worden verondersteld met de onderhavige verplichting, dat er sprake is van premienadeel en dat appellante terzake van deze verplichting reeds eerder een overtreding had begaan.

De Raad is van oordeel dat, nu de verplichting de jaaropgavekaarten vˇˇr 1 februari van het volgende jaar in te dienen in de regel bij een werkgever als bekend mag worden verondersteld, overtreding van die verplichting als een ernstige nalatigheid is te kwalificeren en derhalve is te wijten aan grove schuld van de werkgever, tenzij de werkgever omstandigheden aanvoert en zonodig aannemelijk maakt, waaruit volgt dat de overtreding niet aan zijn grove schuld is te wijten.

In het geval van appellante heeft gedaagde toepassing gegeven aan het in het Toepassingsbesluit neergelegde beleid dat ten opzichte van het in de voorgaande alinea neergelegde uitgangspunt een begunstigend effect kan hebben als het gaat om de beoordeling door gedaagde van de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding van de in geding zijnde verplichting. De Raad overweegt dat in het geval van appellante vaststaat dat appellante bekend is met de verplichting tijdig de jaaropgavekaarten in te dienen. Zij heeft niet ontkend de rappelbrieven van gedaagde te hebben ontvangen, doch stelt dat zij de opgave tijdig heeft ingezonden en bovendien op de rappelbrieven telkens direct heeft gereageerd met verzending per post dan wel fax van de opgave, die gedaagde echter niet heeft ontvangen. Eerst na de ontvangst van de aankondiging van de boetenota, circa zes maanden na de laatste rappelbrief van gedaagde, heeft appellante de opgave alsnog ingezonden. Alle omstandigheden in ogenschouw nemend is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat appellante geen afdoende verklaring voor de overtreding heeft gegeven op grond waarvan deze niet aan grove schuld van appellante zou zijn te wijten. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat gedaagde terecht grove schuld heeft aangenomen.

Met betrekking tot de grief van appellante dat de opgelegde boete in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel overweegt de Raad dat de boete is gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde premie, namelijk op 20% van de gecorrigeerde afrekeningsnota over 2000 ad f 108.468,--, en vervolgens is vastgesteld op het in dit geval geldende maximum van f 20.000,--. Niet betwist is dat er sprake is van een derde overtreding.

De Raad is van oordeel dat het door gedaagde toegepaste stelsel, waarbij de hoogte van de boete is gerelateerd aan de hoogte van de over het jaar waarop de opgave betrekking heeft verschuldigde premie, in beginsel niet tot onevenredigheid in de boeteoplegging behoeft te leiden, nu het stelsel in voldoende mate voorziet in een afstemming van de op te leggen boete op de ernst en de mate van verwijtbaarheid van het gesanctioneerde handelen of nalaten, en bovendien de maximering van de boeten mede tegemoetkomt aan het evenredigheidsbeginsel. De Raad ziet in het onderhavige geval geen grond voor vernietiging van de opgelegde boete wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Toetsing aan het per 1 april 2002 in werking getreden Besluit toepassing bestuurlijke boeten CSV 2002 van 19 december 2001 (Stcrt. 2002, 35) leidt niet tot een ander oordeel.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2005.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x