Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT8236
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard. De creditcorrectienota’s hadden geen betrekking op de thuiswerksters. Er is geen rechtsmiddel aangewend tegen de uitspraak van de rechtbank inzake de verzekeringsplicht van de thuiswerksters.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1648 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift van 26 april 2004 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 februari 2004 met kenmerk 03/472.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 april 2005, waar voor appellante zijn verschenen drs. M.A.B. Speetjens, werkzaam bij Marree & Van Uunen belastingadviseurs te Oisterwijk, en N.C.M. van den Houdt, controller, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. Hofland, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de feiten die ook de rechtbank in de aangevallen uitspraak van 16 februari 2004 als vaststaand heeft aangenomen.

Bij die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van gedaagde van 22 januari 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voorzover daarbij het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 21 augustus 2002 ongegrond is verklaard, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 22 januari 2003.

Het besluit van 22 januari 2003 is een beslissing op het bezwaar van appellante tegen de primaire besluiten van 21 augustus 2002, zijnde creditcorrectienota’s die betrekking hebben op vervallen correcties ten aanzien van een aantal voor appellante werkzame thuiswerk(st)ers. Deze creditcorrectienota’s hadden echter geen betrekking op de twee thuiswerksters [thuiswerksters] (hierna: [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2]). Ten aanzien van [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2] had de rechtbank al eerder in haar uitspraak van 31 december 1999 geconcludeerd dat gedaagde voor de jaren toen in geding terecht een dienstbetrekking had aangenomen tussen appellante en hen en dat gedaagde in verband daarmee terecht correctienota’s had opgelegd, terwijl de rechtbank wat betreft de berekening van die correctienota’s het systeem zoals door gedaagde gehanteerd niet onaanvaardbaar achtte. De rechtbank liet het toen bestreden besluit in stand voorzover het betrekking had op [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2] en vernietigde het besluit slechts voorzover het betrekking had op de andere thuiswerk(st)ers. Het toen bestreden besluit is ten aanzien van [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2] in rechte onaantastbaar geworden, nu tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 december 1999 geen rechtsmiddel is aangewend en die uitspraak formele rechtskracht heeft verkregen.

Gedaagde heeft nadien geen nieuw besluit ten aanzien van de verzekeringsplicht of de premielonen van [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2] genomen, doch slechts de eerdergenoemde creditcorrectienota’s ten aanzien van de andere thuiswerk(st)ers afgegeven, waartegen appellante geen rechtsmiddel heeft aangewend.

In hoger beroep beklaagt appellante zich erover dat haar thans de onaantastbaarheid van het oordeel van de rechtbank van 31 december 1999 wordt tegengeworpen, terwijl de rechtbank in een uitspraak van 9 november 2001 haar grieven tegen de berekeningswijze van de premielonen van [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2] als prematuur heeft bestempeld. Hoewel de Raad de formulering van de rechtbank in de uitspraak van 9 november 2001 niet gelukkig acht, kan de Raad in het onderhavige geding toch niet anders concluderen dan dat het hoger beroep van appellante niet kan slagen, nu er geen besluit voorligt dat rechtsgevolg heeft ten aanzien van [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2].

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x