Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT8480
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet betalen van het geldende minimumloon. Naheffing van premies. Toepassing van het Fooienbesluit. Boete.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1457 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is mr. P.J. Siekman, verbonden aan Siekman & Stassen Advocaten en Belastingadviseurs te Hoofddorp, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden in hoger beroep gekomen van de tussen partijen op 2 februari 2004 onder kenmerk 03-274 door de rechtbank Haarlem gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 26 mei 2005, waar partijen met voorafgaande kennisgeving niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die ook de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

Appellante, die een horecabedrijf exploiteerde, heeft in het jaar 2000 een aantal van haar werknemers niet het voor hen geldende minimumloon op grond van de collectieve arbeidsovereenkomst voor het horeca- en aanverwante bedrijf (hierna: de CAO) uitbetaald. Gedaagde heeft over dit jaar met toepassing van het op artikel 7, eerste lid, van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering gebaseerde besluit van 21 december 1989 van de Sociale Verzekeringsraad inzake waardering van fooien (hierna: het Fooienbesluit) premies voor de werknemersverzekeringen nageheven, berekend naar het verschil tussen de door appellante betaalde lonen en het voor de desbetreffende werknemers geldende minimumloon op grond van de CAO. Voorts heeft gedaagde een boete opgelegd van 37,5%, waarbij hij er onder meer van is uitgegaan dat het hier een tweede overtreding van appellante binnen vijf jaar betreft. Het bezwaar van appellante is bij het bestreden besluit van 31 december 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft in de aangevallen uitspraak onder meer overwogen dat gedaagde een juiste toepassing heeft gegeven aan wettelijke bepalingen van dwingend recht. Appellante heeft de juistheid van deze uitspraak bestreden. Zij heeft haar standpunt herhaald dat gedaagde bij de premievaststelling had moeten uitgaan van het feitelijk uitbetaalde loon en stelt dat gedaagde ten onrechte is uitgegaan van een fictief CAO-loon. Appellante heeft hieraan toegevoegd dat gedaagde bij het gecorrigeerde loon ten onrechte is uitgegaan van een bedrag dat het niveau van het wettelijk minimumloon te boven gaat. Wat de boete betreft had gedaagde volgens appellante geen rekening mogen houden met een over het jaar 1999 opgelegde boete, omdat die boete nog niet definitief vaststaat nu daarover nog een beroepsprocedure loopt.

De Raad kan zich geheel vinden in de aangevallen uitspraak. Daaraan voegt hij nog het volgende toe.

In de tekst van artikel 3 van het Fooienbesluit wordt ondubbelzinnig verwezen naar de minimumlonen zoals bedoeld in de CAO. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 15 januari 2004, LJN AO4150, dient bijtelling plaats te vinden in al die gevallen, waarin minder wordt betaald dan het minimumloon ingevolge artikel 7 van de CAO en wel tot het bedrag ter hoogte van het voor de functie geldende minimumloon ingevolge de CAO.

Met betrekking tot de opgelegde boete merkt de Raad nog op dat ingevolge artikel 6:16 in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ook het hoger beroep geen schorsende werking heeft

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.P. Mulder.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ĺs-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x