Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT9464
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Er is niet voldaan aan de verplichting om een deugdelijk afschrift van het identiteitsdocument in de loonadministratie op te nemen. Brutering van de netto betaalde lonen naar het anoniementarief.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/965 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:


[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. F.F.W. Feitsma, als adviseur loonbelasting en sociale zekerheid verbonden aan Fiscount te Zwolle, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 december 2003, kenmerk 03/507.

Gedaagde heeft op 19 april 2004 een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 11 mei 2004 is hierop namens appellante gereageerd onder inzending van nadere stukken.
Bij brief van 18 oktober 2004 is namens appellante afschrift van een rechtstreeks aan appellante gezonden brief van gedaagde van 30 juni 2004 ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 mei 2005.
Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Feitsma, voornoemd, en J.G.P. Peulen, accountant van appellante.
Gedaagde is - met bericht vooraf - niet verschenen.




II. MOTIVERING


Appellante exploiteert een uitzendbureau.

Gedaagde heeft bij appellante een looncontrole over het jaar 2000 ingesteld.
Zoals blijkt uit het looncontrolerapport van 1 mei 2002 is geconstateerd dat van een deel van de werknemers die in de loonadministratie zijn opgenomen geen, dan wel geen deugdelijk afschrift van het voor de toepassing van de Wet op de identificatieplicht (WID) toegelaten identificatiebewijs voorhanden is. Daarbij is gebleken dat appellante het in dergelijke gevallen te hanteren zogenoemde anoniementarief niet heeft toegepast.
Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien over het jaar 2000 op 12 juli 2002 een correctienota en op 17 juli 2002 een boetenota op te leggen.

Bij besluit van 25 maart 2003 (hierna: besluit I) heeft gedaagde het namens appellante gemaakte bezwaar tegen de correctienota niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen de boetenota gegrond verklaard voorzover de boete is vastgesteld op meer dan 25% van de ambtshalve vastgestelde premie. Hangende het beroep tegen besluit I heeft gedaagde op 11 juni 2003 een herzien besluit op bezwaar (hierna: besluit II) genomen waarbij hij appellante alsnog ontvankelijk heeft geacht in haar bezwaar tegen de correctienota, doch het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Het besluit II is door de rechtbank in haar beoordeling betrokken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat thans appellante niet heeft voldaan aan de verplichting om bij de aanvang van de werkzaamheden een deugdelijk afschrift van het identiteitsdocument van haar werknemers in de loonadministratie op te nemen en dat daaraan niet kan afdoen dat zij heeft gesteld dat door een verhuizing de identiteitsbewijzen slechts tijdelijk niet voorhanden waren en dat de ontbrekende gegevens, op een klein aantal na, nadien (tijdens de hoorzitting) alsnog zijn overgelegd. Thans gedaagde heeft een eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel, gebaseerd op de stelling dat de Belastingdienst wel een herstelmogelijkheid achteraf zou bieden, niet slaagt.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat terecht is overgegaan tot brutering van de netto betaalde lonen naar het anoniementarief zonder - in aansluiting op het door de Belastingdienst gevoerde beleid - rekening te houden met maximum premielonen en franchises en dat brutering gerechtvaardigd is omdat thans appellante door overtreding van (naar de Raad begrijpt:) artikel 26b van de Wet op de loonbelasting (Wet LB) moet worden geacht te hebben besloten om de inhoudingen voor haar rekening te nemen. Hieraan kan niet afdoen dat de Belastingdienst kennelijk niet is overgegaan tot naheffing en namens thans appellante is gesteld dat indien loonbelasting zou zijn nageheven zij tot verhaal op de betrokken werknemers zou zijn overgegaan.
Met betrekking tot de boetenota heeft de rechtbank overwogen dat op goede gronden een boete van 25% is opgelegd omdat sprake is van opzet/grove schuld en een vergrijp is geconstateerd nu thans appellante zich er bewust van had horen te zijn dat zij over geldige identiteitsbewijzen van haar werknemers diende te beschikken en dat zij, bij ontbreken daarvan, het anoniementarief had moeten toepassen.

Appellante heeft de uitspraak van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt als volgt.

Appellante heeft naar het oordeel van de Raad terecht opgemerkt dat bij de looncontrole niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, gebleken is dat van een deel van de werknemers bij het begin van de werkzaamheden geen dan wel geen deugdelijk afschrift van hun identiteitsbewijs was opgenomen. Beide besluiten op bezwaar berusten op de constatering dat de in geding zijnde identiteitsdocumenten ten tijde van de looncontrole niet waren opgenomen in de loonadministratie. Ter zitting van de Raad is namens appellante bevestigd dat zij tijdens de looncontrole in de gelegenheid is gesteld om de ontbrekende identiteitsbewijzen te overleggen, doch daaraan geen gehoor heeft gegeven. De Raad neemt voor zijn beoordeling als uitgangspunt dat de in geding zijnde identiteitsbewijzen in strijd met artikel 90, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen (Osv) ten tijde van de looncontrole niet in de loonadministratie waren opgenomen. Gedaagde heeft zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat het in geding zijnde verzuim niet achteraf kan worden hersteld. Dit brengt mee dat gedaagde geen acht behoefde te slaan op de bij gelegenheid van de hoorzitting in het kader van de bezwaarprocedure overgelegde afschriften van identiteitsbewijzen. De Raad merkt daarbij op dat de namens appellante overgelegde stukken ter onderbouwing van haar standpunt dat de Belastingdienst en gedaagde herstel van zo’n verzuim in andere gevallen wel hebben toegestaan alle zien op premiejaren vóór de inwerkingtreding van artikel 90, derde lid, Osv 1997 op 1 maart 1997 en de wijziging van artikel 26b van de Wet LB op 1 januari 1997.
Ter zitting van de Raad is voorts namens appellante desgevraagd ontkend dat op grond van artikel 2 van de Regeling een andere plaats is aangewezen waar de afschriften worden bewaard, zodat het mogelijkerwijs voorhanden zijn van de documenten bij opdrachtgevers appellante niet kan baten.
Overigens merkt de Raad ten aanzien van de alsnog overlegde afschriften op dat deze, voorzover leesbaar, in een groot aantal gevallen zijn afgegeven na het in geding zijnde jaar 2000, zodat appellantes stelling, wat daar overigens van zij, dat de afschriften ten tijde van de looncontrole wel aanwezig waren doch als gevolg van een verhuizing over het hoofd waren gezien de Raad niet overtuigend voorkomt.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat gedaagde bij het herleiden van het netto uitbetaalde loon tot het premieloon voor de premieheffing werknemersverzekeringen terecht het anoniementarief van artikel 26b van de Wet LB heeft toegepast.
Anders dan de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat gedaagde bij de vaststelling van het premieloon over 2000 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met maximum premielonen en franchises. Zoals in de brief van 23 april 2004 van de staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2003-2004, 17 050, nr. 261) is uiteengezet is het pas toegestaan om premies na te heffen zonder toepassing van de franchise- en maximeringsbepalingen als bedoeld in artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering indien het aantal werknemers en de gewerkte perioden niet uit de administratie blijkt dan wel niet is te achterhalen op basis van de wel aanwezige gegevens. Uit het looncontrolerapport blijkt dat deze gegevens in dit geval wel voorhanden waren. Dit betekent dat het hoger beroep op dit onderdeel slaagt.

Wat betreft de grief tegen de kwalificatie opzet/grove schuld die aan de boetenota ten grondslag is gelegd verwijst de Raad naar de hieraan door de rechtbank gewijde overwegingen, welke hij onderschrijft.
Met betrekking tot de grief dat in het kader van het looncontroleonderzoek geen cautie is gegeven is de Raad van oordeel dat, wat er overigens van een cautieverplichting zij, namens appellante geen (belastende) verklaring is afgelegd zodat langs deze weg geen bewijs onrechtmatig verkregen kan zijn.

De conclusie van de Raad is dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende het geen de rechtbank had behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en de besluiten I en II vernietigen. Gedaagde zal met inachtneming van het voorgaande opnieuw op het bezwaar moeten beslissen.

De Raad acht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,- in beroep en op € 644,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt de besluiten I en II;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 580,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Renden.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x