Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT9854
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht directeuren. Oplegging van boetenota’s over de jaren in geding ter hoogte van 25% van de ambtshalve vastgestelde premies over de betalingen aan de directeuren.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/6365 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is mr. J.J.M. Daemen, werkzaam bij GIBO Accountantskantoor Daemen & Dings te Roermond, op bij beroepschrift aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Roermond onder dagtekening 13 oktober 2004, reg.nr. 04/355, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 mei 2005, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTVIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten.

Appellantes onderneming, welke tot in 1999 was gericht op groothandelsactiviteiten, is zich ten tijde hier in geding gaan bezig houden met projectinrichting. [A. L.] en [F. D.] hadden vanaf 1 januari 1999 tot en met 1 maart 2000 via hun persoonlijke vennootschappen ieder 50% van de aandelen van appellante in handen en voerden ook de directie van appellante. Op grond van deze aandelenverhouding werden zij als niet verplicht verzekerd aangemerkt door gedaagde bij besluit van 14 april 1999.

Naar aanleiding van een op 12 juni 2001 bij appellante ingestelde looncontrole heeft gedaagde een nader onderzoek aangekondigd naar de verzekeringsplicht van beide directeuren van appellante. Bij besluit van 8 april 2002 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat beide directeuren in verband met een wijziging in de aandelenverhouding met ingang van 2 maart 2000 als verzekeringsplichtig voor de werknemersverzekeringen worden beschouwd. Appellante is verzocht van beiden jaaropgaven over de jaren 2000 en 2001 toe te sturen. Op 25 november 2003 heeft gedaagde boetenota’s opgelegd over de jaren 2000 tot en met 2003 ter hoogte van 25% van de ambtshalve vastgestelde premies over de betalingen aan de directeuren.

De namens appellante tegen de boetenota’s ingediende bezwaren zijn bij besluit van 23 februari 2004 ( hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, in dier voege dat de boetenota over het jaar 2002 niet is gehandhaafd. De boetenota’s over de jaren 2000 en 2001 werden onverkort gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen die uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt als volgt.

De in hoger beroep aangevoerde gronden zijn in essentie een herhaling van hetgeen in de procedure bij de rechtbank is aangevoerd en komen er op neer dat appellante van mening is dat de ter discussie staande boetenota’s niet in stand kunnen blijven wegens het te lang uitblijven van het opleggen van deze nota’s en dat appellante niet verweten kan worden dat zij in de jaren hier in geding de jaaropgaven van haar beide directeuren niet heeft toegezonden, zodat er geen sprake is van opzet of grove schuld.

Deze gronden zijn, naar het oordeel van de Raad, door de rechtbank terecht en met een juiste motivering verworpen.

De Raad merkt hierbij nog het volgende op.

Vaststaat dat appellante vanaf 2 maart 2000 premieplichtig was; tevens staat vast dat appellante ten aanzien van gedaagde niet heeft voldaan aan de voor haar op grond van artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) geldende verplichting een loonopgave te doen van het door de directeuren genoten loon, zodat gedaagde in beginsel gehouden was een boete op te leggen. De stelling van appellante dat in het onderhavige geval geen sprake is van opzet dan wel grove schuld, omdat gedaagde geen actie heeft ondernomen bij het uitblijven van de jaaropgaven, kan de Raad niet volgen. Daarbij merkt de Raad op dat bij de werkgever de verantwoordelijkheid ligt om zich ervan te vergewissen of van door hem in verband met arbeid verstrekte vergoedingen loonopgave moet worden gedaan. De omstandigheid dat gedaagde appellante niet expliciet op deze verplichting heeft gewezen biedt onvoldoende grondslag voor het oordeel dat geen opzet dan wel grove schuld kan worden aangenomen. In geval van twijfel of onduidelijkheid ligt bij de werkgever de verantwoordelijkheid informatie in te winnen bij gedaagde. Appellante heeft dat nagelaten. Gedaagde heeft dan ook terecht opzet dan wel grove schuld aangenomen.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat gedaagde terecht over de jaren hier nog in geding een boete heeft opgelegd ter hoogte van 25% van de verschuldigde premie.

De stelling van appellante ten slotte dat de opgelegde boetes beperkt dienen te worden tot de nagevorderde premies voor de Werkloosheidswet, aangezien betrokkenen reeds op basis van een vrijwillige verzekering premie voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) hebben afgedragen, kan de Raad niet volgen. Een door betrokkene afgesloten vrijwillige verzekering voor de WAO laat onverlet de verplichting van de werkgever zoals neergelegd in artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering tot het doen van loonopgave. Bovendien geldt ook ten aanzien van dit punt dat appellante naar aanleiding van de wijziging in de aandelenverhouding zich er van had moeten vergewissen of de arbeidsverhouding met beide directeuren was gewijzigd. Indien appellante dit had gedaan dan had de vrijwillige verzekering van beide directeuren tijdig opgezegd kunnen worden. Het ten onrechte betalen van premie voor vrijwillige verzekering kan niet leiden tot vermindering van de opgelegde boeten.

Het hoger beroep slaagt daarom niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x