Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AT9928
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Privaatrechtelijke dienstbetrekking. Opzettelijke of grove schuld. Redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/5856 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. C.L. Capel, advocaat te Rotterdam, op daartoe nader aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Den Haag op 15 september 2004, onder nummer 03/2144, tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en appellante heeft bij brief van 9 mei 2005 nadere stukken ingezonden.

Het geding is, gevoegd met de gedingen onder nummer 03/2182 tot en met 03/2185 ALGEM, behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2005. Namens appellante zijn daarbij verschenen mr. Capel, voornoemd, [directeur appellante], directeur van appellante en J.E.C. van Arkel, accountant te Leiden. Namens gedaagde is verschenen mr. H.J. Gansekoele, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad verwijst primair naar de uitspraak van heden in de gedingen met nummer 03/2182 tot en met 03/2185 ALGEM. Uit deze uitspraak volgt dat gedaagde op goede gronden heeft geoordeeld dat [directeur appellante], [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (verder te noemen: betrokkenen) met ingang van 30 mei 1996 bij appellante in privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam zijn, en dat gedaagde op die grond terecht verzekeringsplicht voor hen heeft aangenomen.

Het standpunt van gedaagde heeft ertoe geleid dat aan appellante bij besluiten van 18 december 2002 correctienota’s voor 1997 tot en met 2001 zijn opgelegd en op 10 februari 2003 boetenota’s voor 1998 tot en met 2001 zijn verzonden. Tevens is over 1998 en 1999 een verzuim geregistreerd. Bij besluit op bezwaar van 16 april 2003 (verder te noemen: het bestreden besluit) heeft gedaagde het tegen deze besluiten ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde zowel ten aanzien van de correctienota’s als ten aanzien van de boetenota’s onderschreven. Appellante heeft het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt als volgt.

Allereerst stelt de Raad vast dat, gelet op hetgeen ter zitting is behandeld, de verzekeringsplicht van [betrokkene 4] in hoger beroep niet langer ter discussie staat.

Hieruit en uit de hiervoor reeds vermelde uitspraak van heden van de Raad in de gedingen met nummer 03/2182 tot en met 03/2185 ALGEM volgt dat gedaagde in beginsel gehouden is premie vast te stellen ter zake van het door appellante aan genoemde betrokkenen betaalde loon.

Appellante heeft onder meer betoogd dat sprake is van undue delay. Voorzover appellante hiermee beoogt te stellen dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden, kan dat standpunt niet worden gevolgd. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 7 juni 2000, onder meer gepubliceerd in JB 2000/229, gaat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM lopen als sprake is van een geschil, dat wil zeggen dat ten minste een standpunt van, in casu, het bestuursorgaan kenbaar is, terzake waarvan mag worden aangenomen, of duidelijk is gemaakt, dat de wederpartij het daarmee niet eens is en zich daartegen in rechte wil verzetten. Daarvan is in casu sprake op 14 januari 2003, zijnde het moment dat appellante bezwaar maakte tegen de besluiten van 18 december 2002. Daarvan uitgaande is er naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

De bepalingen in de Coördinatiewet Sociale Verzekering inzake premievaststelling en premieheffing zijn imperatief van karakter, hetgeen wil zeggen dat gedaagde ter zake een rechtsplicht heeft en geen beleidsvrijheid. Er zijn evenwel bijzondere gevallen denkbaar, waarin strikte toepassing van die bepalingen in die mate in strijd zou komen met het ongeschreven recht, dat op grond daarvan geen rechtsplicht meer aanwezig kan zijn. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in het onderhavige geval sprake.

Op 12 juli 1999 is een looncontrole bij appellante aangevangen en eerst op 18 oktober 2001 heeft nader onderzoek plaatsgevonden naar de verzekeringsplicht van betrokkenen. Voor dit tijdsverloop is, ondanks de daaromtrent door appellante aangevoerde grieven, geen afdoende verklaring gegeven en de Raad kan dan ook niet anders dan aannemen dat het dossier ongeveer twee jaar is blijven stilliggen. Gedaagde heeft naar het oordeel van de Raad daardoor zozeer in strijd met de zorgvuldigheid gehandeld dat premievaststelling en premieheffing over het jaar 1997 achterwege dienen te blijven. De aangevallen uitspraak kan in zoverre niet in stand blijven.

Ten aanzien van de boetenota’s overweegt de Raad als volgt.

Gedaagde heeft aan de boetenota’s ten grondslag gelegd dat er sprake is van opzet of grove schuld van de zijde van appellante.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad dient een werkgever zich er in het algemeen van bewust te zijn welke loonopgaven hij moet doen. In geval van twijfel ligt bij de werkgever de verantwoordelijkheid terzake informatie in te winnen bij het bestuursorgaan. Appellante heeft dit nagelaten en bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij door haar handelen geen premie behoefde af te dragen over de niet opgegeven loonbetalingen. Dit dient in het kader van de hier aan de orde zijnde regelingen te worden gekwalificeerd als grove schuld.
De omstandigheid dat, naar appellante stelt, de jurisprudentie van de Raad op het onderdeel van de verzekeringsplicht van aandeelhouders destijds niet eenduidig was, had reden temeer moeten vormen voor appellante om informatie in te winnen bij gedaagde. Van een pleitbaar standpunt is evenmin sprake.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot het begrip opzet kan om die reden niet slagen.

De Raad stelt voorts vast dat de door gedaagde opgelegde boetes in overeenstemming zijn met de ten tijde hier van belang van toepassing zijnde regelgeving en volstaat op dit punt met een verwijzing naar het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak. Ten aanzien van hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de recidive, overweegt de Raad, met de rechtbank, dat toepassing van dit begrip is ingegeven door de boetes, opgelegd wegens overtreding van de 5%-regeling over de jaren 1997 en 1998, hetgeen als gevolg van de inwerkingtreding van (artikel 5 van) het Boetebesluit Werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering per 1 januari 2001 - in tegenstelling tot het tot die datum geldende zogeheten ABC-besluit - een relevant gegeven betreft.

Met betrekking tot het beroep van appellante inzake undue delay overweegt de Raad ten aanzien van de boetenota’s nog dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM eerst is aangevangen met de op 16 december 2002 verstuurde aankondiging bestuurlijke boete. Van een schending van de redelijke termijn is dan ook geen sprake.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak, voorzover het de opgelegde boetes betreft, kan worden onderschreven.

Nu de aangevallen uitspraak, evenals het bestreden besluit, ten aanzien van de premieheffing en premievaststelling over 1997 worden vernietigd, acht de Raad termen aanwezig gedaagde te veroordelen tot betaling van de proceskosten van appellante. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor verleende rechtshulp in beroep en € 644,-- voor verleende rechtshulp in hoger beroep. Uit het bestreden besluit blijkt dat ook in bezwaar is verzocht om vergoeding van de proceskosten. Ook dat verzoek komt voor inwilliging in aanmerking en wel eveneens voor een bedrag van € 644,--. In totaal bedragen de te vergoeden proceskosten dan ook € 1.932,--.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen de premiecorrectie over 1997 ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voorzover dit betrekking heeft op de premiecorrectie over 1997;
Vernietigt het besluit van 18 december 2002 betreffende de premiecorrectie over 1997;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in totaal betaalde griffierecht van € 641,-- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x