Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AU1811
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene als gewezen bestuurder van het bedrijf ingevolge artikel 16d van de CSV terecht hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door het bedrijf in zijn bestuursperiode verschuldigde en onbetaald gebleven socialeverzekeringspremies?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1374 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 25 juni 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 25 juli 2000, waarbij appellant op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) als gewezen bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gelaten premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten over de periode van 11 maart 1994 tot 29 juli 1994, verschuldigd door de Coöperatie [naam bedrijf] 98 U.A. ([naam bedrijf]) voor een bedrag van f 736.658,64 (€ 334.281,12).

De rechtbank Arnhem heeft het tegen het besluit van 25 juni 2001 ingestelde beroep bij uitspraak van 23 januari 2003, reg.nr. 01/1388, ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 24 maart 2003 heeft mr. P.J. Siekman, advocaat te Hoofddorp, als gemachtigde van appellant op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen voormelde uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is bij brief van 4 september 2003 gereageerd op het verweerschrift.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 juli 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Siekman voornoemd, en waar gedaagde, zoals tevoren schriftelijk is aangekondigd, zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
Als door appellant meegenomen getuigen zijn verschenen en gehoord, na het afleggen van de belofte, respectievelijk de eed, [getuige], wonende te [woonplaats 2], en [getuige 2 ], opsporingsambtenaar bij de FIOD/ECD.




II. MOTIVERING


Gedaagde stelt zich blijkens het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende looncontrolerapport van 20 november 1998 op het standpunt dat [naam bedrijf] als premieplichtig werkgever is aan te merken ten aanzien van ongeveer 1400 Poolse werknemers die door [naam bedrijf] in de jaren 1994 tot en met 1997 te werk gesteld zijn bij tuinders. [naam bedrijf] heeft deze werknemers nimmer bij gedaagde gemeld, en ten aanzien van hen geen loonopgave gedaan noch premies afgedragen.

Op basis van de bevindingen uit een gezamenlijk onderzoek van zijn opsporingsdienst en de FIOD, de Economische Controle Dienst, de Belastingdienst Hoorn, de Arbeidsinspectie en de Politie Noord-Holland-Noord (hierna: het opsporingsonderzoek) heeft gedaagde de door [naam bedrijf] gehanteerde constructie als vals bestempeld. Deze constructie komt erop neer dat [naam bedrijf] bemiddelt tussen tuinders en Poolse vennootschappen (ook spolka’s genoemd), welke bemiddeling uitmondt in het sluiten van een zogenaamde koop-/verkoopovereenkomst, strekkende tot verkoop van gewassen te velde door de tuinders aan de Poolse vennootschappen. De Poolse vennootschappen dragen vervolgens zorg voor de oogst en/of de bewerking van de gewassen, waarna de bewerkte gewassen door de tuinders terug worden gekocht dan wel ter veiling worden aangeboden.
[Naam bedrijf] is op 23 november 1998 ontbonden en opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn. Op 9 december 1998 heeft gedaagde correctienota’s over 1994 tot en met 1997 aan [naam bedrijf] verzonden. De nota’s zijn onbetaald gebleven, waarna gedaagde de bestuurders van [naam bedrijf] hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld.
Naar aanleiding van deze hoofdelijke aansprakelijkstelling hebben de bestuurders van [naam bedrijf] bezwaar en beroep in gesteld. Bij diverse uitspraken, de Raad verwijst hiervoor naar de nummers 02/3784, 02/3810 CSV, 02/3807 CSV en 03/1461 CSV, heeft deze Raad gedaagdes besluiten inzake deze hoofdelijke aansprakelijkstellingen bevestigd.

Thans is in geschil het antwoord op de vraag of gedaagde bij besluit van 25 juli 2001 appellant als gewezen bestuurder van [naam bedrijf] ingevolge artikel 16d van de CSV terecht hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de door [naam bedrijf] in zijn bestuursperiode, die loopt van 11 maart 1994 tot 29 juli 1994, verschuldigde en onbetaald gebleven sociale verzekeringspremies, tot een bedrag van f 736.658,64 (€ 334.281,12).
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, daarbij overwegende dat appellant er niet in is geslaagd om het wettelijk vermoeden, dat het niet betalen van de premies het gevolg is van aan appellant te wijten onbehoorlijk bestuur, te weerleggen.

Appellant heeft in hoger beroep benadrukt dat hij volstrekt onwetend was van welke activiteit van [naam bedrijf] dan ook. Daartoe heeft hij aangevoerd en ter zitting van de Raad nader toegelicht dat hij naar aanleiding van een suggestie van [getuige] ([getuige]) in verband met het opzetten van een tweedehandskledinghandel in Polen samen met zijn echtgenote, [echtgenote], [naam bedrijf] heeft opgericht. Toen deze activiteit van appellant en zijn echtgenote niet van de grond kwam, gaf [getuige] te kennen interesse te hebben in overname van de door appellant en zijn echtgenote opgerichte coöperatie, waarbij [getuige] activiteiten op het oog had die gericht waren op arbeidsbemiddeling in de kop van Noord-Holland zoals hiervoor omschreven. Appellant en zijn echtgenote hebben hiermee ingestemd en vervolgens [naam bedrijf] “overgedaan” aan [getuige] waarmee zij, naar zij stellen, mede ook vanwege de geografische afstand, elk zicht op welke activiteit van [naam bedrijf] dan ook hebben verloren. Ongelukkigerwijs heeft de uitschrijving van zowel appellant als zijn echtgenote als bestuurders van [naam bedrijf], welke uitschrijving zij aan [getuige] hadden overgelaten, eerst op 29 juli 1994 plaatsgevonden.

De Raad overweegt dat het gelet op het bepaalde in artikel 16d, vierde lid, zesde lid, aanhef en onder a, en zevende lid, van de CSV aan appellant als gewezen bestuurder is om het wettelijk vermoeden te weerleggen dat het niet betalen van de premies over de hier in geding zijnde periode van 11 maart 1994 tot 29 juli 1994 het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dit betekent dat het op de weg van appellant ligt om aannemelijk te maken dat hij als verantwoordelijk bestuurder in voornoemde periode kon menen dat [naam bedrijf] op een juiste en zorgvuldige wijze aan haar verplichtingen heeft voldaan. Appellant is daarin naar het oordeel van de Raad niet geslaagd.

Vast staat dat appellant van 11 maart 1994 tot 29 juli 1994 als bestuurder van [naam bedrijf] stond ingeschreven in het handelsregister. Blijkens vaste jurisprudentie van de Raad neemt een ieder die zich laat benoemen tot bestuurder van een rechtspersoon daarmee de verantwoordelijkheid voor het (financiële) beleid van die rechtspersoon op zich. Aan de (collectieve) verantwoordelijkheid kan een bestuurder zich niet onttrekken door zich afzijdig te houden van het bestuur van die rechtspersoon. Gelet op het voorgaande onderschrijft de Raad niet het door appellant ingenomen standpunt dat hij geen bestuursdaden heeft verricht en derhalve niet verantwoordelijk was voor het beleid van de vennootschap. In dat verband wijst de Raad bovendien op het zich onder de gedingstukken bevindende proces-verbaal van de getuigenverklaring van appellant, die hij in het kader van het opsporingsonderzoek op 11 juni 1998 heeft afgelegd. Appellant heeft verklaard dat hij aan [getuige] kort na de feitelijke overname door [getuige], een mondelinge volmacht heeft gegeven. Appellant heeft verklaard dat [getuige] hiermee mocht doen wat hij wilde. Naar het oordeel van de Raad betreft het geven van deze volmacht een bestuursdaad waardoor appellant als bestuurder mede verantwoordelijk moet worden geacht voor de door [naam bedrijf] als werkgever niet nagekomen verplichtingen inzake het voeren van een loonadministratie en het doen van opgave van al het door de bij haar in dienst zijnde en in Nederland tewerkgestelde Poolse werknemers genoten loon. Deze omstandigheden dienen naar het oordeel van de Raad gekwalificeerd te worden als kennelijk onbehoorlijk bestuur.
De stellingen van appellant dat hij niets van doen had met de ondernemingsactiviteiten die onder leiding van [getuige] en de zijnen plaatsvonden en de omstandigheid dat de activiteiten in een geheel andere regio plaatsvonden kunnen aan deze verantwoordelijkheid niet afdoen. De Raad is van oordeel dat gelet op de reeds sedert jaren bestaande goede verstandhouding tussen appellant en [getuige], op het feit dat appellant naar aanleiding van een suggestie van [getuige] inzake tweedehandskledinghandel in Polen samen met zijn echtgenote is over gegaan tot oprichting van [naam bedrijf], en op het feit dat appellant zelf gedurende korte tijd heeft geprobeerd Poolse vrouwen via een vergelijkbare constructie te werk te stellen in de tweedehandskledinghandel, het geenszins aannemelijk is dat appellant geen enkele wetenschap van of bemoeienis met de activiteiten van [getuige] in [naam bedrijf] heeft gehad dan wel had kunnen hebben.

De namens appellant aangevoerde stelling dat [naam bedrijf] niet als premieplichtig lichaam is aan te merken dient te falen. In een aantal uitspraken inzake hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders van [naam bedrijf] heeft de Raad reeds uitgesproken dat [naam bedrijf] als werkgever is aan te merken en dientengevolge premies verschuldigd is.

De ter zitting van de Raad namens appellant opgeworpen stelling dat de hoogte van het bedrag van de aansprakelijkstelling niet juist is aangezien tevens sprake was van niet tot het loon te rekenen onkostenvergoedingen, dient verworpen te worden op de grond dat niet is gebleken van afzonderlijk vastgestelde en uitbetaalde onkostenvergoedingen.

De Raad komt dan ook tot de conclusie dat appellant er niet in is geslaagd het wettelijke vermoeden dat het niet betalen van de premies het gevolg is van aan haar te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, te weerleggen. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x