Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AU1976
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Besluit proceskosten bestuursrecht. De omstandigheden die appellante aanvoert kan de CRvB niet als bijzondere omstandigheden aanmerken die tot afwijking van de limitatieve en forfaitaire tarieven nopen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/6152 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante] gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is mr. L.E. Bindemann, belastingadviseur te Amsterdam, van de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 oktober 2004, kenmerk 04/594, in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 juli 2005, waar partijen, zoals tevoren schriftelijk bericht, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Bij besluiten van 17 oktober 2003 en 22 oktober 2003 heeft gedaagde appellante correctie- en boetenota’s opgelegd over de jaren 2000 en 2001 onder meer in verband met de door appellante aan [werknemer] (verder: [werknemer]) verrichte betalingen. Gedaagde heeft [werknemer] als verplicht verzekerd ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten aangemerkt.

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft gedaagde de door appellante tegen voornoemde besluiten ingediende bezwaren ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellante tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat enig onderzoek naar de vraag welke werkzaamheden [werknemer] feitelijk voor appellante verrichtte en op welke wijze aan deze werkzaamheden uitvoering werd gegeven achterwege is gebleven. Ook geven de gedingstukken naar het oordeel van de rechtbank geen uitsluitsel omtrent de vraag of appellante de mogelijkheid had toezicht op de werkzaamheden van [werknemer] te houden, en zo ja, op welke wijze dit toezicht werd uitgeoefend. Gelet hierop kan niet aan de hand van feiten en omstandigheden worden beoordeeld of appellante de mogelijkheid had opdrachten en aanwijzingen aan [werknemer] te geven, zodat niet kan worden vastgesteld of [werknemer] onder gezag van appellante werkzaam is geweest. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 7:12 en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft termen aanwezig geacht om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 322,- als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het griffierecht wordt vergoed.

Bij besluit van 10 november 2004 heeft gedaagde de bezwaren van appellante, gericht tegen de correctie- en boetenota’s van 17 oktober 2003 en 22 oktober 2003, gegrond verklaard. Gedaagde heeft beslist dat [werknemer] met ingang van 1 januari 2000 niet verplicht verzekerd is op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.

Appellante kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank om gedaagde slechts te veroordelen tot een proceskostenvergoeding op basis van de forfaitaire bedragen genoemd in het Bpb. Appellante stelt zich op het standpunt dat artikel 2, derde lid, van het Bpb van toepassing is, op basis waarvan in bijzondere omstandigheden van de forfaitaire regeling kan worden afgeweken. Het ontbreken van een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering leveren naar de mening van appellante gronden op om af te wijken van de forfaitaire regeling en gedaagde te veroordelen in de (hogere) werkelijk door appellante gemaakte proceskosten. Appellante stelt gedaagde reeds in de bezwaarfase er op te hebben gewezen dat sprake was van onzorgvuldig uitgevoerd onderzoek.

De Raad overweegt naar aanleiding van het hoger beroep van appellante als volgt.

In artikel 2, derde lid, van het Bpb is neergelegd dat in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid van artikel 2 van het Bpb.

De toelichting bij het Bpb vermeldt dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding kan verhogen of verlagen. Benadrukt wordt dat het werkelijk gaat om uitzonderingen en als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd.

De omstandigheden die appellante aanvoert kan de Raad niet als bijzondere omstandigheden aanmerken die tot afwijking van de limitatieve en forfaitaire tarieven nopen. Van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de toelichting van het Bpb is hier geen sprake. Dat appellante gedaagde er in de bezwaarfase reeds op heeft gewezen dat er geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden naar de aard van de werkzaamheden van [werknemer] kan niet leiden tot een andersluidend oordeel.
Overigens wordt in de toelichting opgemerkt dat de kostenveroordeling niet bedoeld is als volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten.

Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.M. van Wechem als leden en mr. L.M. Reijnierse als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x