Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AU5603
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Bij een bedrijfscontrole zijn zeven werknemers aangetroffen die niet rechtmatig in Nederland verbleven. Hoogte van de door het bedrijf nog te betalen premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten. Brutering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/6186 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft drs. P.H. Eenhoorn, belastingadviseur te Naaldwijk, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 22 oktober 2004, reg.nr. 04/765.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 september 2005, waar voor appellante zijn verschenen P. van der Sar, werkzaam bij Admino Administraties B.V., en P.H. Eenhoorn en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F. Verhaart, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante exploiteert een tuinbouwbedrijf. Op 16 oktober 2000 is er in het kader van de samenwerking van de Belastingdienst met de Arbeidsinspectie en het Uwv in het zogenoemde Westland Interventie Team (het WIT-team) een bedrijfsbezoek bij appellante afgelegd, waarbij zeven werknemers zijn aangetroffen die niet rechtmatig in Nederland verbleven. Voorts is geconstateerd dat in de periode 1999 en 2000 binnen het bedrijf van appellante personen werkzaam zijn geweest die niet in de loonadministratie waren verantwoord. Uit onderzoek bleek voorts dat appellante geen urenadministratie had bijgehouden en ook had zij niet van iedere bij haar aangetroffen werknemer identiteitsbewijzen beschikbaar. Deze bevindingen zijn door de Belastingdienst vastgelegd in een rapport dat op 15 november 2000 aan appellante is toegezonden. Appellante is vervolgens in overleg getreden met de Belastingdienst, hetgeen heeft geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst van 27 juli 2002, waarin uitgegaan wordt van betaling van loon aan onbekend personeel. De Belastingdienst heeft blijkens de vaststellingsovereenkomst de hoogte van de naheffingsaanslag berekend aan de hand van de namens appellante vastgestelde arbeidsbehoefte in de jaren 1999 en 2000 op grond waarvan is vastgesteld dat in die jaren bij appellante 6764 uren meer is gewerkt dan aan de Belastingdienst was opgegeven. De Belastingdienst heeft dit urentekort vermenigvuldigd met een uurloon van f 8,--, waarvan het resultaat vervolgens door de Belastingdienst is gebruteerd met het zogenoemde anoniementarief van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964. Gedaagde heeft, blijkens het rapport van de afdeling Bijzonder Onderzoek van 11 september 2002, op basis van de in de vaststellings- overeenkomst vermelde gegevens de hoogte van de door appellante verschuldigde premies vastgesteld. Bij besluit van 21 september 2002 heeft gedaagde de premies over genoemde jaren gecorrigeerd.

Het tegen het besluit van 21 september 2002 gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 20 januari 2004 gegrond verklaard. Daarbij is het standpunt ingenomen dat de personen die zijn aangetroffen bij het bedrijfsbezoek op grond van artikel 3, derde lid, van de sociale werknemersverzekeringswetten (de Koppelingswet) niet verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringswetten, zodat voor deze personen geen premieplicht bestaat. Gedaagde heeft op grond hiervan de conclusie getrokken dat de premienota over 2000 moet worden bijgesteld in die zin dat bij de premievaststelling het aantal door voornoemde personen opgegeven arbeidsuren van 208 buiten beschouwing dient te worden gelaten.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 20 januari 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
Daarbij heeft appellante - kort samengevat - aangevoerd dat zij niet als werkgever kan worden aangemerkt nu zij personeel heeft ingeleend van een uitzendbureau. De naam van dit uitzendbureau wenst appellante niet bekend te maken. De Belastingdienst heeft in elk geval niet weersproken dat gebruik is gemaakt van een uitleenbedrijf. Bovendien is de Belastingdienst bij zijn beoordeling van de naheffing uitgegaan van illegaal in Nederland verblijvende arbeidskrachten. Deze door de Belastingdienst ingenomen standpunten had gedaagde, volgens appellante, in zijn beoordeling moeten betrekken. Te meer nu gedaagde de door appellante alsnog verschuldigde premies uitsluitend op basis van door de Belastingdienst aangeleverde gegevens, zoals die zijn neergelegd in de vaststellingsovereenkomst, heeft vastgesteld. Gedaagde had, volgens appellante, in ieder geval moeten uitgaan van de illegaliteit van de twee in het verslag van bespreking van 18 juni 2002 genoemde Poolse arbeidskrachten, waarover in het verslag is opgemerkt dat zij over de periode 1999 en 2000 meer dan een jaar voor haar hebben gewerkt. Appellante kan zich ook niet verenigen met het feit dat gedaagde de premies heeft berekend naar het anoniementarief aangezien zij te goeder trouw heeft aangenomen dat de door haar ingeschakelde werknemers niet bij haar in dienstbetrekking stonden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot het werkgeverschap van appellante stelt de Raad voorop dat de Belastingdienst in de vaststellingsovereenkomst is uitgegaan van betalingen van appellante aan onbekend personeel en naar aanleiding daarvan aan haar een naheffingsaanslag heeft opgelegd. Daarbij heeft de Belastingdienst de vraag of daadwerkelijk sprake was van inlening in het midden gelaten. Nu appellante op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor het aantrekken van personeel gebruik heeft gemaakt van een uitzendbureau en de bevindingen van de Belastingdienst ook geen aanleiding geven voor de conclusie dat sprake was van inlening, heeft gedaagde appellante terecht aangemerkt als (primair premieplichtig) werkgever.

De Raad merkt voorts op dat het op de weg van de werkgever ligt om aan te tonen dat gebruik is gemaakt van arbeidskrachten die op grond van de Koppelingswet zijn uitgesloten van de verzekering. Tevens moet uit administratie blijken over welke periode en in welke urenomvang deze arbeidskrachten werkzaamheden hebben verricht. De door appellante aangehaalde uitspraak van de Raad van 9 januari 2004, LJN AO1706, brengt hierin geen verandering, nu deze zaak niet met het onderhavige geval vergelijkbaar is.

De Raad stelt vast dat uitsluitend van de bij het bedrijfsbezoek aangetroffen werknemers is aangetoond dat sprake is van niet verzekerde arbeid. Appellante heeft geen administratie bijgehouden waaruit blijkt hoeveel op grond van de Koppelingswet niet verzekerde personen bij haar hebben gewerkt en gedurende welke periode en in welke urenomvang zij werkzaam zijn geweest. Tevens zijn geen gegevens bewaard omtrent de verblijfsrechtelijke positie van deze personen. Het terzake door de Belastingdienst ingenomen standpunt is - wat hier ook van zij - voor de premieheffing niet relevant nu dit standpunt niet is gebaseerd op uit onderzoek gebleken feiten. Veeleer lijkt sprake te zijn van een aanname nu de verblijfsstatus van werknemers in het kader van de loonheffing geen rol van betekenis speelt. Ook ten aanzien van de twee in het verslag van bespreking van 18 juni 2002 genoemde Poolse werknemers zijn geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het hier gaat om niet verzekerde werknemers. Het verslag van bespreking geeft hierover in ieder geval geen uitsluitsel.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat gedaagde bij besluit van 21 januari 2004 is uitgegaan van het juiste aantal niet verantwoorde uren.

Met betrekking tot de brutering stelt de Raad vast dat betalingen zijn gedaan aan werknemers van wie geen gegevens bekend zijn en die hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die verhaal op bedoelde werknemers bij voorbaat uitsluiten. Hieruit volgt dat gedaagde terecht is overgegaan tot brutering van eerdergenoemde bedragen naar het anoniementarief. De hiertegen aangevoerde grieven brengen de Raad niet tot een ander oordeel.

Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C.P.M. van der Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x