Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AU6321
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Correctie van de premielonen. De werknemers van een pizzeria kregen meer uitbetaald dan verantwoord in de loonadministratie. Fraudeonderzoek. Discrepantie met de uitkomst van het onderzoek van de fiscus.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4826 CSV, 04/4827 CSV en 04/4828 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante 1], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante 1,
[appellant 2], wonende te [woonplaats], appellant 2,
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante 3,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellanten is mr. P.H.F. Yspeert, advocaat te [vestigingsplaats], op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de tussen partijen op 21 juli 2004, kenmerk 02/683 door de rechtbank [vestigingsplaats] gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 29 december 2004 heeft mr. R. Moszkowicz, advocaat te Nieuwegein, de Raad medegedeeld in het vervolg van de procedure op te treden als raadsman van appellanten.

Bij schrijven van 19 augustus 2005 en 24 augustus 2005 zijn namens appellanten nadere stukken ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 september 2005, waar appellanten 2 en 3 zijn verschenen, bijgestaan door mr. Moszkowicz, voornoemd, en waar gedaagde met kennisgeving niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Appellanten 2 en 3 exploiteren een pizzeria te [vestigingsplaats] onder de naam “[naam onderneming]”.

In november 2001 is bij appellanten door de opsporingsdienst een strafrechtelijk onderzoek gehouden in het kader van werkgeversfraude over de periode van 7 juli 1999 tot en met 31 december 2000. In het proces-verbaal werkgeversfraude van 22 november 2001, dat naar aanleiding van voornoemd onderzoek is opgemaakt, is een benadelingsbedrag van fl. 43.671,00 berekend. Dit bedrag heeft betrekking op de correctie van de premielonen over de jaren 1999 en 2000. In verband hiermee heeft gedaagde aan appellanten bij besluiten van 13 november 2001 correctienota’s opgelegd over de jaren 1999 en 2000. Bij besluit van 10 juni 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 13 november 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 juni 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat op grond van onderzoeksgegevens voldoende is vast komen te staan dat appellanten in de in geding zijnde periode meer uren aan werknemers hebben uitbetaald dan in de loonadministratie werden verantwoord en dat een aantal essentiële gegevens niet door appellanten zijn bewaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde bij de schatting van het niet afgedragen premiebedrag voldoende zorgvuldigheid betracht. Dat, zoals appellanten hebben gesteld, de Belastingdienst bij een onderzoek in september/oktober 2001 het totaal aantal gewerkte uren per week lager heeft vastgesteld dan gedaagde, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel. Gedaagde komt bij de vaststelling van het premieplichtige loon een eigen verantwoordelijkheid toe en is daarbij niet gebonden aan bevindingen en standpunten van de Belastingdienst.

In hoger beroep is de aangevallen uitspraak namens appellanten gemotiveerd bestreden.
Van de zijde van appellanten is onder meer naar voren gebracht dat het onderzoek van de opsporingsdienst van gedaagde in het kader van het fraudeonderzoek onzorgvuldig is geweest en, omdat gedaagde de uitkomst van voornoemd onderzoek in het looncontrolerapport zonder meer heeft gevolgd, zulks ook geldt voor het vanwege gedaagde gehouden onderzoek. Daarbij is er namens appellanten op gewezen dat gedaagde geen acht heeft geslagen op de aanwezige administratie, dat hij geen onderzoek ter plaatse heeft ingesteld, dat geen aandacht is besteed aan de cijfermatige onderbouwing van de bezwaren door de accountant en dat het door de Belastingdienst ingestelde onderzoek door gedaagde geheel terzijde is gesteld. Appellanten erkennen dat sprake is geweest van de betaling van zwart loon, doch uitdrukkelijk wordt ontkend dat geen sprake is geweest van een deugdelijke administratie op basis waarvan correcties konden worden gemaakt.

De Raad overweegt allereerst het volgende.

De Raad stelt vast dat de namens appellanten op 24 augustus 2005 ingediende stukken zijn ingebracht met overschrijding van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermelde termijn. Mede in aanmerking genomen dat gedaagde niet ter zitting van de Raad is verschenen en zich niet heeft kunnen uitlaten over de vraag of het alsnog in beschouwing nemen van de stukken bij hem bezwaren ontmoet, heeft de Raad aanleiding gezien om de stukken te weigeren als gedingstukken. De Raad heeft de inhoud van die stukken slechts bij zijn oordeelsvorming betrokken voorzover de gemachtigde van appellanten daarover ter zitting mededeling heeft gedaan.

Vervolgens overweegt de Raad als volgt.

Indien een inhoudingsplichtige niet, niet juist of niet volledig aan een op grond van artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering gestelde verplichting voldoet, is gedaagde bevoegd ambtshalve het verschuldigde bedrag aan premies vast te stellen. In voorkomende gevallen zal het onvermijdelijk zijn dat een schatting moet worden gemaakt van de niet verantwoorde loonbetalingen. Deze schatting dient naar het oordeel van de Raad in relatie te staan tot de wel beschikbare gegevens, waaronder de administratie, tenzij er grond is om de gehele administratie te verwerpen, omdat die dermate veel ernstige verbreken vertoont dat daaraan geen reële betekenis kan worden toegekend.

De Raad heeft vastgesteld dat gedaagde bij zijn besluitvorming ter zake van het door appellanten verschuldigde premiebedrag is afgegaan op de resultaten van het fraudeonderzoek dat is verricht in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Uit de gedingstukken blijkt niet of en zo ja, in hoeverre in het kader van de bezwaarschriftprocedure acht is geslagen op de door de accountant van appellanten gemaakte berekening op basis van de wel bij appellanten aanwezige administratie en aantekeningen over de gewerkte uren. Evenmin blijkt dat gedaagde kennis heeft genomen van de resultaten van het door de Belastingdienst in september/oktober 2001 ingestelde onderzoek. Gelet op het feit dat de Belastingdienst mede op basis van het fraudeonderzoek van gedaagdes opsporingsdienst tot een aanzienlijk lagere berekening van het aantal gewerkte uren per week komt dan gedaagde, alsmede dat de Belastingdienst - anders dan gedaagde - wel is overgegaan tot het onderzoeken van de bij appellanten aanwezige administratie, komt de Raad tot het oordeel dat de gemaakte schatting van niet verantwoorde loonbetalingen, alsmede de daarop gebaseerde besluiten niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen. Weliswaar heeft gedaagde ter zake van de uitvoering van de sociale werknemersverzekeringswetten een eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid, doch daarmee is niet gegeven dat aan de onderzoeksbevindingen van de Belastingdienst in een geval als het onderhavige in het geheel geen betekenis toekomt, te meer daar er feitelijk sprake is van een omvangrijke, onverklaarbare discrepantie tussen de uitkomst van het onderzoek door gedaagde en dat van de Belastingdienst.

Uit het vorenstaande volgt dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het besluit van 10 juni 2002 wegens strijd met artikel 3:4, eerste lid, van de Awb dient te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 10 juni 2002;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellanten het betaalde griffierecht van totaal € 627,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x