Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AU6349
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Looncontrole. Premiecorrectie. Boete. Onjuiste toepassing van het Fooienbesluit. Er is geen opgave gedaan van loon in natura en de verzekeringsplicht van optredende artiesten. De financiŰle toestand van gedaagde.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1765 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 maart 2004, kenmerk 02/1056.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 september 2005. Namens appellant is verschenen mr. A.J. Gansekoele, werkzaam bij het Uwv. Gedaagde heeft zich niet doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

Gedaagde exploiteert sinds 25 november 1996 een drietal Ierse pubs in Nederland. In april en mei 2001 heeft over de periode vanaf 25 november 1996 tot en met 2000 een looncontrole bij gedaagde plaatsgevonden, naar aanleiding waarvan premiecorrecties zijn doorgevoerd die onder meer betrekking hebben op een onjuiste toepassing door gedaagde van het zogeheten Fooienbesluit, ten onrechte geen opgave doen van verstrekt loon in natura en de verzekeringsplicht van optredende artiesten. Deze premiecorrecties zijn door gedaagde niet aangevochten.

Bij besluiten van 5 augustus 2002 heeft appellant aan gedaagde over de jaren 1997 tot en met 2000 boetes opgelegd ter hoogte van 37,5% van de doorgevoerde premiecorrecties. Daaraan heeft appellant onder meer ten grondslag gelegd dat als gevolg van opzet of grove schuld door gedaagde onjuiste loonopgaves zijn gedaan en voorts dat er sprake is van een derde vergrijp. Bij besluit van 14 oktober 2002 is het bezwaar van gedaagde tegen de besluiten van 5 augustus 2002 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 23 januari 2003 is het besluit van 14 oktober 2002, wat de jaren 1997, 1998 en 1999 betreft, niet gehandhaafd en zijn over die jaren boetes opgelegd ter hoogte van 25% van de premiecorrecties.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2002, voor zover dat de boetes over de jaren 1997, 1998 en 1999 betreft, niet-ontvankelijk verklaard. Het besluit van 14 oktober 2002 is, voor zover dat de boete over het jaar 2000 betreft, onder gegrondverklaring van het beroep, vernietigd. Dit geldt eveneens voor het besluit van 23 januari 2003. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven omtrent griffierecht en proceskosten.

De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat gedaagde eerder is gerappelleerd omdat zij niet of niet volledig aan haar verplichtingen heeft voldaan of dat er bijzondere contacten zijn geweest met appellant, op grond waarvan gesteld zou kunnen worden dat gedaagde bekend was of had moeten zijn met de op haar rustende verplichtingen. Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat gedaagde door drie Ierse personen is opgericht die pas sinds november 1996 bezig zijn hun bedrijf in Nederland vorm te geven, is de rechtbank van oordeel dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van opzet of grove schuld. De rechtbank heeft daarbij tevens opgemerkt dat appellant in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de (nieuw) op te leggen boete, rekening zal moeten houden met de financiŰle omstandigheden van gedaagde en dient te onderzoeken of daarin reden is gelegen de boete te matigen.
Ten aanzien van de boete over het jaar 2000 heeft de rechtbank daarnaast onder meer nog overwogen dat binnen de systematiek van het zogeheten ABC-besluit geen sprake is van recidive.

Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat op verzoek van gedaagde op 15 september 1997 een nader gesprek met de bedrijfsleider van gedaagde, te weten de heer [naam bedrijfsleider] heeft plaatsgevonden omtrent de administratieve verplichtingen betreffende de sociale verzekeringen. In dit gesprek is aan de heer [naam bedrijfsleider] uitgelegd hoe hij de zaken moest overnemen van de vorige administrateur van gedaagde en hoe het systeem werkt met de sociale verzekeringen in Nederland. In dit kader heeft de inspecteur van appellant gedaagde ge´nformeerd met betrekking tot de premievaststelling, betaling van de voorschotnota, pensioenfonds en vut stichting en met gedaagde de hoogte van de loonsom doorgenomen en daarbij aan gedaagde medegedeeld dat hij deze loonsom dient aan te passen. Ook is afgesproken dat gedaagde een overzicht basisregistratie dienstverbanden zal ontvangen en dat hij deze na controle zal retourneren. Gedaagde is tevens uitvoerig ge´nformeerd met betrekking tot de 5%-regeling en melding sociale verzekeringen en gewezen op mogelijke digitale aanlevering van gegevens.
Gedaagde is volgens appellant bij haar aanmelding ook gewezen op haar administratieve verplichtingen. In dit kader is gedaagde bezocht en zijn er verschillende brochures toegezonden. Voorts staan de punten waarvoor een correctie is opgelegd voor een juiste uitvoering jaarlijks beschreven in de handleiding loonbelasting, premie volksverzekering en premies werknemersverzekering.
Ook heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank, wat de boete over 2000 betreft, ten onrechte heeft getoetst aan het ABC-besluit.

De Raad overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat gedaagde over de jaren 1997 tot en met 2000 onjuiste loonopgaves heeft gedaan. Deze loonopgaves zijn gedaan in de jaren volgend op die waarop ze betrekking hebben. Dat betekent onder meer dat de loonopgave over 2000 is gedaan in 2001. Op 1 januari 2001 is in werking getreden het Boetebesluit werkgevers Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (verder: het Boetebesluit werkgevers CSV), waarin onder meer is bepaald dat de regeling Administratieve Boeten Co÷rdinatiewet alleen van toepassing blijft op verzuimen en vergrijpen gepleegd voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van dit besluit. Terecht heeft appellant aangevoerd dat de boete over 2000 is gebaseerd op het Boetebesluit werkgevers CSV en dat voor toetsing aan het zogeheten ABC-besluit geen ruimte bestaat.

Met betrekking tot de vraag of in het onderhavige geval kan worden gesproken van opzet of grove schuld overweegt de Raad dat uit zijn vaste jurisprudentie (verwezen wordt naar onder meer CRvB 22 september 2005, LJN: AU3211) volgt dat een werkgever zich er in het algemeen van bewust moet zijn welke loonopgave hij moet doen. In geval van twijfel ligt bij de werkgever de verantwoordelijkheid ter zake informatie in te winnen bij het bestuursorgaan. Gedaagde heeft zulks niet gedaan. Gelet op hetgeen appellant in hoger beroep - onweersproken - heeft gesteld, is de Raad van oordeel dat appellant gedaagde in voldoende mate heeft voorgelicht en dat gedaagde derhalve kon weten wat van haar werd verlangd met betrekking tot een juiste opgave van premieloon. Nu dit desondanks achterwege is gelaten door gedaagde, heeft appellant naar het oordeel van de Raad terecht de aanwezigheid van opzet of grove schuld aangenomen. Dit geldt zowel voor de jaren 1997 tot en met 1999 als voor het jaar 2000.

Met betrekking tot het jaar 2000 overweegt de Raad voorts dat de eerder opgelegde boetes ter zake van de 5%-regeling en het niet tijdig inzenden van de jaaropgaven, als gevolg van het inwerking treden van (artikel 5 van) het Boetebesluit CSV per 1 januari 2001 - in tegenstelling tot het tot die datum geldende ABC-besluit - een relevant gegeven betreft. Gelet op de eerder opgelegde boetes is - in overeenstemming met het Boetebesluit werkgevers CSV en het daarop gebaseerde besluit Toepassing bestuurlijke boeten Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering - de boete over het jaar 2000 vastgesteld op 37,5% van de premiecorrectie over dat jaar.

Met betrekking tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen inzake de financiŰle omstandigheden van gedaagde, overweegt de Raad dat - gelet op de hoogte van de opgelegde boetes - niet aannemelijk is gemaakt dat betaling van die boetes gedaagde zodanig in ernstige financiŰle moeilijkheden zouden brengen dat om die reden de boetes als onevenredig hoog gekwalificeerd zouden moeten worden.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - geen stand kan houden en dat het beroep van gedaagde tegen de besluiten van 14 oktober 2002 en 23 januari 2003 alsnog ongegrond dient te worden verklaard.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2002, wat de boete over 2000 betreft, en het beroep tegen het besluit van 23 januari 2003 gegrond is verklaard en voor zover die besluiten zijn vernietigd;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2002, voor zover betrekking hebbend op de boete over 2000, en het beroep tegen het besluit van 23 januari 2003 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x