Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AU6384
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Geen uitstel van betaling, omdat het instellen van bezwaar de betalingsverplichting van appellant niet opschort. Voorwaarde van het afgeven van een bankgarantie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2609 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. P.J. Siekman, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 april 2004, met kenmerk 03/1944.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 juli 2005. Namens appellant is verschenen mr. Siekman, voornoemd. Gedaagde is, na voorafgaande mededeling, niet verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

Op 18 september 2003 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen door gedaagde verzonden correctienota’s over de jaren 1998 tot en met 2002. Daarbij is tevens verzocht om uitstel van betaling. Bij besluit van 22 oktober 2003 is geweigerd uitstel van betaling te verlenen, omdat het instellen van bezwaar de betalingsverplichting van appellant niet opschort. Alleen indien appellant een bankgarantie tot zekerheid verstrekt, heeft gedaagde zich bereid verklaard hem gedurende de bezwaarperiode uitstel te verlenen. Het tegen het besluit van 22 oktober 2003 ingestelde bezwaar is bij besluit van 1 december 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft onder meer overwogen dat niet is gebleken dat gedaagde niet in redelijkheid als voorwaarde het afgeven van een bankgarantie heeft kunnen stellen. Gedaagde heeft doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan de regel dat het instellen van bezwaar de werking van een besluit niet schorst en gedaagde heeft in redelijkheid het verzoek van appellant kunnen afwijzen.
De grief van appellant, dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar, heeft de rechtbank ook verworpen.

Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden en daartoe aangevoerd dat gedaagde zich onbehoorlijk gedraagt indien zonder de gronden van correctie aan te geven, tot invordering van de betwiste premieschuld wordt overgegaan. Ten aanzien van de hoorplicht in bezwaar heeft appellant aangevoerd dat de voorwaarden die in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden genoemd zich niet voordoen.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 6:16 van de Awb schorst het bezwaar niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. Nu er ten aanzien van de hier aan de orde zijnde correctienota’s geen wettelijk voorschrift valt aan te wijzen waaruit de schorsende werking van het bezwaar voortvloeit, moet worden geconcludeerd dat het bezwaar van 18 september 2003 niet de werking van de correctienota’s schorst.

Ondanks het voorgaande is gedaagde bevoegd uitstel van betaling te verlenen. Het beleid dat gedaagde daarvoor heeft ontwikkeld is neergelegd in het Besluit incasso en invordering (Stcrt. 2000, 81). Naar vaste jurisprudentie van de Raad, onder meer blijkend uit de uitspraak van 7 juli 2005 (LJN AT9358), is gedaagde met dat beleid gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

Het beleid voorziet in geval van tijdelijke liquiditeitsproblemen in uitstel van betaling. Gesteld noch gebleken is dat er in de situatie van appellant sprake was van tijdelijke liquiditeitsproblemen, zodat geconcludeerd moet worden dat het door gedaagde gevoerde beleid geen grond kan vormen voor toewijzing van zijn verzoek. Desondanks is gedaagde bereid gebleken uitstel van betaling te verlenen onder de voorwaarde van verstrekking van een bankgarantie. De Raad is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat gedaagde daartoe in redelijkheid niet kon komen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd maakt dat niet anders, nu dat standpunt voorbijgaat aan de in artikel 6:16 van de Awb neergelegde hoofdregel.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de hoorplicht in bezwaar kan evenmin slagen. Met juistheid heeft de rechtbank gewezen op het bepaalde in artikel 18a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. De Raad kan niet anders dan vaststellen dat appellant geen verzoek heeft gedaan om te worden gehoord. Voor gedaagde bestond er ook geen aanleiding om de verzoeken die appellant in zijn brief van 10 november 2003 heeft gedaan, aan te merken als een - impliciet - verzoek om te worden gehoord.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.G.M. van Rijnberk als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x