Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AU7799
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Restauranthouder, niet aangemeld als werkgever. Bij waarnemingen zijn werknemers in het restaurant aangetroffen. Geen loonadministratie. De hoge loonschatting is voor risico van betrokkene.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2204 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij beroepschrift van 12 april 2005 heeft mr. J.F.M. Verhey, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van appellant op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 4 april 2005, nummer 03/4171, tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 oktober 2005, waar appellant is verschenen, bijgestaan door voormelde gemachtigde, en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.J. Lustenhouwer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Appellant exploiteert sedert 10 april 1990 een restaurant op Texel onder de naam [naam restaurant]. Appellant heeft zich nimmer bij gedaagde als werkgever aangemeld.
Gedaagde heeft naar aanleiding van een fraudeonderzoek geconcludeerd dat appellant als werkgever dient te worden aangemerkt, aangezien bij waarnemingen werknemers bij [naam restaurant] werden aangetroffen. Bij gebreke van een loonadministratie heeft gedaagdes looninspecteur een schatting gemaakt van de niet door appellant verantwoorde loonsommen. Gedaagde heeft vervolgens bij premienota’s van 17 september 2001 premies vastgesteld over de jaren 1996 tot en met 2000. Gedaagde heeft de opgelegde nota’s gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 11 augustus 2003. De rechtbank heeft bij de in rubriek I vermelde uitspraak het beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep onder meer betoogd dat met betrekking tot de bij observaties aangetroffen personen niet vast staat dat deze werkzame personen daadwerkelijk loon hebben ontvangen. Appellant heeft in hoger beroep andermaal gesteld dat deze personen behoren tot zijn familie- en vriendenkring.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens een zich onder de gedingstukken bevindend proces-verbaal van verhoor heeft appellant onder meer verklaard: “Ik heb wel eens een Egyptenaar, Charat een paar dagen in juni 2000 in dienst gehad. Deze maakte shoarma in mijn zaak. Deze heeft 3 weken gewerkt. Hij wilde niet blijven. Ik heb deze man misschien fl. 1500,= tot fl. 1600,= gegeven. Ik vind dit niet echt salaris, hij had geen vaste werktijden. Ik moest hem wat geven voor zijn werkzaamheden”.

Gelet op deze verklaring van appellant, in samenhang met bij 23 waarnemingen ter plaatse aangetroffen werkzame personen, de bij appellant aangetroffen kasboekjes betreffende de jaren 1996 tot en met 1999 met door appellant genoteerde omzetcijfers en loonbetalingen en de verklaringen van jaarlijks terugkerende klanten die [naam restaurant] tijdens hun vakanties in de jaren 1998 tot en met 2000 dagelijks bezochten, heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat appellant werknemers in dienst heeft gehad. In het licht van het voorgaande acht de Raad appellants stelling, dat de bij hem werkzame personen geen loon hebben ontvangen, niet geloofwaardig. Deze stelling valt bovendien niet te rijmen met de hiervoor aangehaalde verklaring van appellant zelf. De stelling van appellant, dat hij in de kasboekjes gefingeerde bedragen heeft genoteerd met het oog op een eventuele verkoop van het restaurant, acht de Raad gelet op het hiervoor aangehaalde evenmin geloofwaardig.

Nu bij appellant geen betrouwbare loonadministratie is aangetroffen, zelfs de betaling aan voornoemde Egyptenaar is in boeken van appellant niet te traceren, mocht gedaagde overgaan tot schatting van de premielonen. Gedaagde is daarbij naar het oordeel van de Raad niet onzorgvuldig te werk gegaan, aangezien gedaagde daarbij rekening heeft gehouden met de arbeidsinzet van appellant en zijn echtgenote en gedaagde voorts is uitgegaan van een minimale bezettingsgraad. Voorzover de schatting niettemin tot vaststelling van een te hoge loonsom heeft geleid, komt dit risico volgens vaste jurisprudentie voor rekening van appellant.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x