Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AU8258
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene terecht hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor door onderhavige bedrijven onbetaald gelaten premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/831 CSV, 04/835 CSV, 04/909 CSV en 04/910 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: betrokkene,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hierna: het Uwv.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Betrokkene heeft bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, kenmerk 03/2274 en 03/2275, van 15 december 2003. Hij heeft op 8 september 2005 nog een nader stuk in geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen bovengenoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Betrokkene heeft een verweerschrift ingezonden.

De Raad heeft bij mondelinge uitspraak van 8 september 2005 het verzoek van betrokkene tot wraking, als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van de leden van de Raad mr. R.C. Schoemaker, mr. G. van der Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, afgewezen.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 september 2005, waar betrokkene in persoon is verschenen en waar het Uwv zich - na daartoe opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.M. Odijk en P.R.H. Min, beiden werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende, door de rechtbank vastgestelde en door partijen niet bestreden, feiten en omstandigheden.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 3 juni 2002 is betrokkene ervan in kennis gesteld dat hij, in zijn hoedanigheid van feitelijk beleidsbepaler / bestuurder, hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor door respectievelijk [naam bedrijf] Installatie-, Constructie- en Timmerwerken N.V. (hierna: [naam bedrijf]) en [naam BV] B.V. (hierna: [naam BV]) onbetaald gelaten premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten. De premies inzake [naam bedrijf] zien op de jaren 1996, 1997 en 1998, terwijl bij [naam BV] sprake is van de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999.

Bij twee eveneens afzonderlijke besluiten van 31 december 2002 - hierna ook: voorzover ziend op [naam bedrijf]: bestreden besluit I en voorzover ziend op [naam BV]: bestreden besluit II, alsmede tezamen ook: de bestreden besluiten - heeft het Uwv de bezwaren van betrokkene tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

Ten tijde in geding waren de vennootschappen [naam bedrijf] en [naam BV], respectievelijk opgericht op 8 december 1924 en 3 juli 1989 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als ondernemingen die werkzaam waren op het gebied van installatie, constructie en het aannemen en uitvoeren van timmerwerk. Bestuurder van [naam bedrijf] was tot 20 december 1996 H.B. [naam bedrijf] en vanaf die datum Landstar Real Estate N.V. (hierna: Landstar). Landstar op haar beurt is op 20 oktober 1991 opgericht in Curaçao en per 20 oktober 1994 aldaar gevestigd. Bestuurder van Landstar was T.G. van Heumen. [Naam bedrijf] was vanaf 23 april 1996 bestuurder van [naam BV]. Medebestuurder was tot 22 juli 1997 M.M.G. Muller.

Nadat geplande en aangekondigde looncontroles in 1998 geen doorgang konden vinden, is door de looninspecteur van Gak Nederland BV aan de hand van de gestorte bedragen op de G-rekeningen van de vennootschappen een berekening gemaakt van de loonbedragen die onder meer door [naam bedrijf] en [naam BV] opgegeven hadden moeten worden. Tegen de opgelegde voorschot-, correctie- en boetenota's die daaruit resulteerden, is door [naam bedrijf] en [naam BV] bezwaar gemaakt, welke bezwaren ongegrond zijn verklaard. De tegen die besluiten ingestelde beroepen zijn door de rechtbank Rotterdam bij uitspraak van 2 augustus 2001 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een processueel belang van [naam bedrijf] en [naam BV]. [naam bedrijf] was inmiddels op 7 december 1999 failliet verklaard en nadien [naam BV] op 19 december 2001.

Voorts is een strafrechtelijk en een fiscaal onderzoek ingesteld naar de aan [naam bedrijf] en [naam BV] gelieerde personen. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek is onder andere een groot aantal personen gehoord, deels als getuige en deels als verdachte.

Het Uwv heeft in de bestreden besluiten overwogen dat de faillissementen van beide ondernemingen gelijk gesteld worden aan de melding als bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), nu een deel van de onbetaald gebleven premies zijn opgelegd na deze faillissementen. Ingevolge artikel 16d, derde lid, van de CSV is het Uwv gehouden aannemelijk te maken dat het niet betalen van de premies te wijten is aan het kennelijk onbehoorlijke bestuur van de bestuurder(s) in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van melding. Daarbij is tevens van belang dat ingevolge artikel 16d, zesde lid, aanhef en onder b, van de CSV onder een bestuurder mede wordt verstaan degene ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, de zogeheten feitelijk beleidsbepaler.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat betrokkene gezien moet worden als feitelijk beleidsbepaler heeft het Uwv gewezen op het volgende:
- Uit diverse, tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde, verklaringen blijkt dat betrokkene degene was die het in [naam bedrijf] en [naam BV] voor het zeggen had;
- Betrokkene kwam bijna elke dag op het kantoor van de vennootschappen;
- Betrokkene kwam regelmatig in de panden waarin de administratie van die vennootschappen daadwerkelijk werd gevoerd;
- Betrokkene speelde een belangrijke rol bij de pogingen het Uwv geen gelegenheid te geven de administraties van de vennootschappen in te zien;
- Uit één van de afgelegde verklaringen blijkt dat betrokkene bepaalde welke werknemers van de vennootschappen ‘zwart’ werkten;
- Betrokkene was bij beide vennootschappen tekenbevoegd voor één of meer bankrekeningen van die vennootschappen, waaronder de G-rekening van [naam BV];
- Betrokkene en zijn vrouw hebben feitelijk opdracht gegeven om een huis te bouwen op het adres van betrokkene, welke bouw door beide vennootschappen is gefinancierd;
- Betrokkene is volgens de bescheiden die hij aanleverde ten behoeve van een hypotheekverstrekking sinds 1 september 1997 als Investment Councellor werkzaam voor [naam BV];
- Van Heumen heeft verklaard dat hij via zijn contact met betrokkene op papier directeur van Landstar is geweest, waarvoor hij via betrokkene maandelijks een geldbedrag zou ontvangen. Hij heeft ook verklaard dat hij meerdere malen naar notarissen is geweest om BV’s van betrokkene op zijn naam te laten zetten en dat hij op betrokkenes verzoek een aantal formulieren heeft getekend.

Betrokkene heeft in zijn beroep bij de rechtbank aangevoerd dat:
- reeds uit het feit dat er meer dan een half jaar is verstreken tussen de primaire besluiten en de besluiten op bezwaar volgt dat de bezwaren gegrond hadden moeten worden verklaard;
- uit geen enkele verklaring blijkt dat betrokkene bij [naam bedrijf] en [naam BV] het beleid heeft bepaald, waarbij opgemerkt wordt dat de verklaringen tegenstrijdig zijn;
- zijn betrokkenheid bij de vennootschappen voortvloeide uit zijn werkzaamheden die hij verrichtte in dienst van Landstar, welke werkzaamheden bestonden uit het controleren van de omzet van de vennootschappen omdat Landstar recht had op een bepaalde provisie afhankelijk van de omzet;
- hij alleen maar betrokken was bij de bouw van het huis, waarvoor zijn echtgenote de opdrachtgeefster was, omdat hij er kwam te wonen;
- de verklaring van Van Heumen ongeloofwaardig is zodat aan deze verklaring geen conclusies verbonden kunnen worden.

De rechtbank heeft zich in de aangevallen uitspraak kunnen vinden in de vaststelling door het Uwv dat betrokkene gezien moet worden als feitelijk beleidsbepaler en dat hij uit dien hoofde in principe hoofdelijk aansprakelijk is voor de onbetaald gebleven premienota’s. Met betrekking tot de aansprakelijkstelling voor de aan de vennootschappen opgelegde boetenota’s heeft de rechtbank echter overwogen dat, nu betrokkene, als bestuurder van [naam bedrijf] en [naam BV], onderwerp was van een strafrechtelijk onderzoek, artikel 12c van de CSV er aan in de weg stond hem lopende dit onderzoek aansprakelijk te stellen voor deze boetes. Ten aanzien van de hoogte van de aansprakelijkstelling voorzover ziend op de aan [naam bedrijf] opgelegde premienota’s heeft de rechtbank overwogen dat bestreden besluit I tevens voor vernietiging in aanmerking komt omdat het Uwv had laten weten dat wegens een aantal dubbeltellingen betrokkene voor een te hoog bedrag aansprakelijk was gesteld.

In hoger beroep heeft betrokkene in essentie zijn stellingen omtrent de gevolgen van de duur van de bezwaarprocedure alsmede omtrent zijn gestelde hoedanigheid van feitelijk beleidsbepaler bij de vennootschappen herhaald. In reactie op het hoger beroep van het Uwv heeft betrokkene gesteld dat wegens de schending van de hoorplicht de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven.

Het Uwv heeft zich gekeerd tegen de overweging van de rechtbank met betrekking tot de aansprakelijkstelling voor de boetenota’s.

De Raad overweegt als volgt.



Het hoger beroep van betrokkene (04/831 + 835 CSV)

De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de gevolgen van de duur van de bezwaarfase. De termijn van 13 weken als genoemd in artikel 18b van de CSV is een termijn van orde en geen fatale termijn. Aan de overschrijding ervan door het Uwv kunnen derhalve niet die gevolgen verbonden worden die betrokkene daaraan verbonden wil zien.

Met betrekking tot de grief van betrokkene dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld gehoord te worden in de bezwaarfase overweegt de Raad het volgende.
Zoals de Raad in zijn uitspraak van 14 november 2002 (LJN AF2963) heeft overwogen moet een bestuurder, indien deze ook aansprakelijk wordt gesteld voor een verhoging als bedoeld in artikel 12, tweede en derde lid, van de CSV, door het Uwv in de gelegenheid worden gesteld in de bezwaarfase gehoord te worden. In dit geding is betrokkene deze gelegenheid in deze fase niet geboden. Dat het Uwv betrokkene alsnog bij brief van 7 maart 2005 in de gelegenheid heeft gesteld gehoord te worden, op welke brief betrokkene op 15 maart 2005 heeft gereageerd maakt dit niet anders.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de bestreden besluiten in strijd met artikel 7:2 van de Awb zijn genomen. De Raad ziet geen aanleiding om de zaken ter verdere afhandeling naar het Uwv terug te verwijzen. Betrokkene heeft naar het oordeel van de Raad zijn standpunt zowel ter zitting van de rechtbank als ter zitting van de Raad voldoende naar voren kunnen brengen. Voorts acht de Raad de voorhanden zijnde gegevens toereikend om de zaken zelf inhoudelijk te beoordelen.

De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met de overwegingen van de rechtbank over de vraag of betrokkene gezien moet worden als feitelijk beleidsbepaler bij de vennootschappen. Met name de afgelegde verklaringen tijdens het opsporingsonderzoek, het feit dat betrokkene tekenbevoegd was ten aanzien van verschillende rekeningen van de vennootschappen, zijn bijna dagelijkse aanwezigheid op de kantoren van de vennootschappen en zijn betrokkenheid bij de geldstromen van de vennootschappen maken aannemelijk dat betrokkene het beleid mede bepaalde als ware hij bestuurder. De door betrokkene ter zitting van de Raad afgelegde verklaring dat hij, om hem moverende redenen, niet de namen kan en wil noemen van degenen die in werkelijkheid het beleid bepaalden in de vennootschappen maakt dit niet anders. De gevolgen van deze keuze komen voor rekening en risico van betrokkene.
Dit alles leidt tot de conclusie dat betrokkene door het Uwv terecht aansprakelijk is gesteld in zijn hoedanigheid van feitelijk beleidsbepaler / bestuurder.



Het hoger beroep van het Uwv (04/909 + 910 CSV)

Het Uwv is ten eerste van mening dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door een oordeel te geven over de aansprakelijkstelling voor de boetenota’s, nu betrokkene hiertegen in de loop van de procedure geen grieven heeft aangevoerd.

De Raad is van oordeel dat uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene in eerste aanleg geen afzonderlijke grieven heeft aangevoerd omtrent de aansprakelijkstelling voor de boetenota’s. De Raad moet dan ook vaststellen dat de rechtbank met haar oordeel over de vraag of het strafrechtelijke onderzoek aan de aansprakelijkstelling van betrokkene voor de boetenota’s in de weg staat, is getreden buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil en aldus het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb niet in acht heeft genomen.

Ook betrokkene is blijkens het verhandelde ter zitting van mening dat, indien hij wordt aangemerkt als feitelijk beleidsbepaler, hij tevens aansprakelijk gesteld moet worden voor de boetenota’s.

Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de aansprakelijkstelling van betrokkene voor de niet betaalde premies, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat hij niet tevens aansprakelijk gesteld kon worden voor de niet betaalde boetenota’s.

Nu reeds deze grief van het Uwv leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, behoeven de overige grieven geen bespreking meer.



Slotoverwegingen

Gezien het voorgaande moet worden geoordeeld dat de rechtbank de bestreden besluiten terecht heeft vernietigd. Nu deze vernietiging echter op geheel andere gronden berust, acht de Raad het aangewezen om - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - de beroepen van betrokkene tegen de bestreden besluiten gegrond verklaren. De bestreden besluiten dienen wegens strijd met artikel 7:2 van de Awb te worden vernietigd en het bestreden besluit I tevens voorzover dat ziet op hoogte van de aansprakelijkstelling.
De Raad ziet aanleiding om met gebruikmaking van de in artikel 8:72, derde en vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit II in stand te laten en, wat bestreden besluit I betreft, zelf in de zaak te voorzien door het bedrag van de aansprakelijkstelling voor de door [naam bedrijf] verschuldigde bedragen te bepalen op € 1.831.298,22.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens voorzover daarbij is beslist over de vergoeding van griffierecht;
Verklaart de beroepen tegen bestreden besluiten I en II gegrond en vernietigt die besluiten;
Bepaalt dat betrokkene tot een bedrag van € 1.831.298,22 aansprakelijk wordt gesteld voor de door [naam bedrijf] verschuldigde bedragen;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van besluit II in stand blijven;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 87,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x