Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AU8260
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Kan gedaagde ook voor de aan de BV opgelegde en (deels) onbetaald gebleven boetenota’s hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/917 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, kenmerk 03/1898, van 15 december 2003.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 september 2005, waar appellant zich - na daartoe opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.M. Odijk en P.R.H. Min, beiden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.C.M. Dirven, advocaat te Etten-Leur.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 20 december 2002 - hierna: het bestreden besluit - heeft appellant de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 3 juni 2002 ongegrond verklaard. In dat besluit was gedaagde medegedeeld dat hij hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor door [naam BV] B.V. (hierna: [naam BV]) over de jaren 1998 en 1999 onbetaald gelaten nota’s ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten. Gedaagde werd door appellant gezien als iemand die in genoemde jaren bij [naam BV] het beleid bepaalde of mede bepaalde als ware hij bestuurder. Gedaagde is aansprakelijk gesteld voor zowel onbetaald gelaten premienota’s als onbetaald gebleven boetenota’s tot een totaal bedrag van € 1.741.715,42 (fl. 3.838.235,73).

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel uitgesproken dat gedaagde door appellant terecht als feitelijk beleidsbepaler / bestuurder is aangemerkt en dat hij derhalve in principe terecht hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven nota’s. Echter, voorzover het betrof de aansprakelijkstelling voor de boetenota’s, is de rechtbank van oordeel dat dit ten onrechte is geschied omdat, nu gedaagde als bestuurder van [naam BV] onderwerp was van een strafrechtelijk onderzoek, artikel 12c van de Coördinatiewet Sociale Verzekering er aan in de weg stond hem lopende dit onderzoek aansprakelijk te stellen voor deze nota’s.

Tegen deze overweging van de rechtbank richt zich het hoger beroep van appellant.

Het Uwv is ten eerste van mening dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door een oordeel te geven over de aansprakelijkstelling voor de boetenota’s, nu gedaagde hiertegen in de loop van de procedure geen grieven heeft aangevoerd.

De Raad overweegt als volgt.

Nu slechts appellant in hoger beroep is gekomen, behoeft nog slechts bespreking de vraag of gedaagde ook voor de aan [naam BV] opgelegde en (deels) onbetaald gebleven boetenota’s hoofdelijk aansprakelijk gesteld kan worden.

De Raad is van oordeel dat uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde in eerste aanleg geen afzonderlijke grieven heeft aangevoerd omtrent de aansprakelijkstelling voor de boetenota’s. De Raad moet dan ook vaststellen dat de rechtbank met haar oordeel over de vraag of het strafrechtelijk onderzoek aan de aansprakelijkstelling van gedaagde voor de boetenota’s in de weg stond is getreden buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil en aldus het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in acht heeft genomen.

Nu reeds deze grief van appellant leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, behoeven de overige grieven geen bespreking meer.

Dit alles leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x