Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AU8307
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijke aansprakelijkheid voor onbetaald gebleven premie werknemersverzekeringen en boetes. Formeel bestuurder. Structureel geen loonopgave van uitlening van personeel. Kennelijk onbehoorlijk bestuur.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/956 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij beroepschrift van 16 februari 2004 heeft mr. M. van den Berg, advocaat te Eindhoven, als gemachtigde van appellante op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Rotterdam op 15 december 2003, nummer 03/2021, tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 september 2005, waar appellante in persoon is verschenen, vergezeld van haar voormelde gemachtigde alsmede [naam] en waar gedaagde - na daartoe opgeroepen te zijn - zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.M. Odijk en P.H.R. Min, beiden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Appellante is van 1 januari 1996 tot 20 december 1996 bestuurder geweest van [naam NV] N.V., hierna: [naam NV].

Bij besluit van 3 juni 2002 is appellante op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven premies werknemersverzekeringen van [naam NV] over het jaar 1996 voor een bedrag van € 1.150.794,96. Tevens is appellante aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven boetes over dat jaar.

Het bezwaar tegen dit besluit is bij het bestreden besluit van 24 december 2002 ongegrond verklaard.

Hangende het beroep tegen dit besluit bij de rechtbank heeft gedaagde aangegeven dat het bedrag van de aansprakelijkstelling niet juist was vastgesteld en dat dit € 938.196,21 diende te zijn.

De rechtbank heeft - onder gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het besluit van 24 december 2002 - het besluit van 3 juni 2002 op die grond herroepen en het bedrag van de aansprakelijkstelling voor onbetaald gelaten premies door [naam NV] dienovereenkomstig vastgesteld, onder veroordeling van gedaagde in de kosten van bezwaar en beroep.

Namens appellante zijn in hoger beroep tegen de aansprakelijkstelling, kort samengevat, grieven ingebracht tegen het aannemen van bestuurderschap van appellante van [naam NV]. Ook feitelijk zou appellante niet als bestuurder van [naam NV] het beleid van [naam NV] bepaald hebben. Voorts is het standpunt ingenomen dat de aansprakelijkstelling op grond van artikel 16d, derde lid, van de CSV geen betrekking kan hebben op alle onbetaald gelaten premies van het premiejaar 1996.
Ook zijn grieven terzake van de aansprakelijkstelling voor de onbetaald gebleven boetenota’s naar voren gebracht.

De Raad overweegt als volgt.

Ter zitting heeft gedaagde verklaard de aansprakelijkstelling voor de boetenota’s niet langer te handhaven op de grond dat de boetenota’s aan [naam NV] werden opgelegd in een periode waarin appellante geen bestuurder van [naam NV] meer was.
Dit betekent dat de grieven terzake van de aansprakelijkstelling op dit punt geen bespreking meer behoeven.

Met gedaagde en de rechtbank moet de Raad vaststellen dat appellante blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel tot 20 december 1996 formeel bestuurder van [naam NV] is geweest.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad heeft dan te gelden dat een ieder die zich laat benoemen tot bestuurder van een rechtspersoon daarmee de verantwoordelijkheid voor het (financiële) beleid van die rechtspersoon op zich neemt en dat een bestuurder zich niet kan onttrekken door zich afzijdig te houden van het bestuur van die rechtspersoon.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante er niet mee kon volstaan af te gaan op de uitlating van haar echtgenoot dat zij in 1994 als directeur van [naam NV] zou worden uitgeschreven. Het had op haar weg gelegen te verifiëren of dit ook daadwerkelijk had plaatsgevonden. Dit geldt temeer nu uit de gedingstukken blijkt dat appellante eind 1994 in haar hoedanigheid van bestuurder nog volmachtbescheiden heeft getekend. Bovendien heeft appellante ook in december 1996 nog haar echtgenoot gevolmachtigd [naam NV] over te dragen, waarbij is bepaald dat zij vanaf 20 december 1996 haar directeurschap zou neerleggen. Uit het voorgaande had appellante duidelijk moeten zijn dat zij nog steeds bestuurder van [naam NV] was.

Appellante valt, door zich hoewel formeel bestuurder zijnde, zich in het geheel niet met de gang van zaken binnen [naam NV] in te laten, waarbij onder meer structureel geen loonopgave werd gedaan inzake de uitlening van personeel, kennelijk onbehoorlijk bestuur te verwijten. Dit betekent dat appellante terecht door gedaagde in haar hoedanigheid van bestuurder van [naam NV] aansprakelijk is gesteld voor de door [naam NV] onbetaald gebleven premies.

Aangaande de hoogte van de aansprakelijkstelling voor de onbetaald gebleven premies van [naam NV] kan het hoger beroep van appellante evenmin slagen. Artikel 16d, derde lid, van de CSV vereist slechts dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur in de drie jaar als in dat artikellid bedoeld heeft plaatsgevonden. De Raad kan niet inzien, uitgaand van kennelijk onbehoorlijk bestuur van appellante, dat dit zich niet ook heeft voorgedaan in de periode van de 7 december 1996 (begin van de 3-jaarsperiode) tot 20 december 1996, het einde van het bestuurderschap van appellante.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover daarbij zelf in de zaak is voorzien. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eveneens zelf voorzien in de zaak en bepalen dat appellante hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [naam NV] onbetaald gebleven premies terzake van het premiejaar 1996 tot een bedrag van € 700.738,93.

De Raad ziet, gezien het vorenstaande, aanleiding om gedaagde te veroordelen in de kosten die appellante in hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Schade die op grond van artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komt is niet gesteld, zodat het ter zitting gedane verzoek van de raadsman van appellante om schadevergoeding niet als een verzoek op basis van dit artikel kan worden aangemerkt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarin het besluit van 3 juni 2002 is herroepen en het bedrag dat appellante wegens hoofdelijke aansprakelijkheid is verschuldigd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bepaald op € 938.196,21;
Bepaalt het bedrag van de hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 16d, derde lid, van de CSV op € 700.738,93;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 87,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x