Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AU9001
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht ten aanzien van de aandeelhouder.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/334 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante hebben mr. M.W.W. Veldhuizen en mr. P.Th.M. van Oord, werkzaam bij Baker & McKenzie te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 december 2004, reg.nr. 03/2464.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft desgevraagd nadere stukken toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 oktober 2005, waar voor appellante mr. Veldhuizen is verschenen, en waar gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


In 1996 en 1997 heeft appellante gedaagde verzocht onderzoek te doen naar de vraag of de aandeelhouders als gevolg van een wijziging in de aandelenverhouding in een verzekeringsplichtige relatie tot appellante zijn komen te staan. Bij besluiten van 27 januari 1998 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat ten aanzien van de aandeelhouders [aandeelhouder 1], [aandeelhouder 2], [aandeelhouder 3], [aandeelhouder 4], [aandeelhouder 5], [aandeelhouder 6] en [aandeelhouder 7] primair op grond van artikel 3 en subsidiair op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van de sociale werknemersverzekeringswetten verzekeringsplicht bestaat op grond waarvan appellante dient te worden aangemerkt als premieplichtig werkgever. Tegen deze besluiten zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
Gedaagde heeft in november 2002 bij appellante een looncontrole uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 27 november 2002. Op 18 december 2002 heeft gedaagde ten aanzien van de aan de aandeelhouders verstrekte vergoedingen correctienota’s over de jaren 1997 tot en met 2001 opgelegd. Bij besluit op bezwaar van 17 april 2003 heeft gedaagde deze correctienota’s gehandhaafd.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 17 april 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat de premieplicht van appellante gelet op de besluiten van 27 januari 1998 in rechte vaststaat. De aan appellante verstrekte statusoverzichten brengen naar het oordeel van de rechtbank hierin geen verandering. De door appellante aangevoerde omstandigheden van [aandeelhouder 5] hebben de rechtbank voorts niet tot het oordeel gebracht dat ten aanzien van hem over de periode van 31 juli 2001 tot en met 31 december 2002 geen sprake was van premieplicht. De rechtbank heeft tevens vastgesteld dat gedaagde de premies heeft opgelegd binnen de termijn van vijf jaren zoals die is neergelegd in artikel 13, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). De door appellante aangevoerde omstandigheden terzake van het tijdsverloop heeft de rechtbank niet dermate bijzonder geacht dat op grond daarvan geen correctienota’s meer konden worden opgelegd.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het standpunt van appellante dat gedaagde terzake van de verzekeringsplicht van de aandeelhouders op 27 januari 1998 uitsluitend een verduidelijking van zijn zienswijze heeft gegeven waaraan geen rechtsgevolgen zijn verbonden, kan de Raad niet volgen. Bij besluiten van 27 januari 1998 heeft gedaagde in rechte vastgesteld dat de aandeelhouders verzekerd zijn ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten. Het feit dat de verzekeringsplicht van rechtswege ontstaat, doet daaraan niet af. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat gedaagde ter motivering van de premienota’s in beginsel kon volstaan met een verwijzing naar meergenoemde besluiten. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien zich na 27 januari 1998 bij appellante wijzigingen hadden voorgedaan die voor de vaststelling van de verzekeringsplicht relevant waren. Appellante heeft aangegeven dat, behoudens ten aanzien van de aandeelhouder [aandeelhouder 5] (hierna: [aandeelhouder 5]), zich bij appellante niet dergelijke wijzigingen hebben voorgedaan.

Met betrekking tot [aandeelhouder 5] is gesteld dat ten aanzien van hem over de periode van 31 juli 2001 tot en met 31 december 2001 geen premieplicht bestaat omdat hij in die periode in dienstbetrekking tot een in de Verenigde Staten gevestigde onderneming stond. De Raad merkt hierover allereerst op dat het op de weg van een werkgever ligt om tijdig wijzigingen in de arbeidsrelatie aan gedaagde door te geven om zodoende gedaagde in staat te stellen de consequenties hiervan voor de verzekerings- en premieplicht te beoordelen. Appellante heeft dit nagelaten. Omdat op grond van de thans beschikbare gegevens voorts niet kan worden vastgesteld dat de werkzaamheden van [aandeelhouder 5] in de Verenigde Staten in de weg staan aan het aannemen van premieplicht, ziet de Raad geen aanleiding om de premienota’s op dit punt voor onjuist te houden.

De Raad kan appellante ook niet volgen in haar standpunt dat gedaagde wegens strijd met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel niet had mogen overgaan tot het opleggen van premiecorrectienota’s. Daartoe overweegt de Raad dat gedaagde op 27 januari 1998 aan appellante heeft meegedeeld dat sprake is van premieplicht en dat daarna nimmer van de kant van gedaagde uitlatingen zijn gedaan of brieven zijn verzonden op grond waarvan kon worden aangenomen dat hij zijn standpunt hieromtrent had gewijzigd. Uit de op zichzelf niet onbedenkelijke omstandigheid dat gedaagde sedert de vaststelling van de verzekeringsplicht tot aan het opleggen van de premienota’s bijna vijf jaren heeft laten verstrijken, kon in elk geval niet de conclusie worden getrokken dat gedaagde zijn standpunt had herzien. Tevens stelt de Raad vast dat gedaagde op grond van artikel 13, eerste lid, van de CSV de premies nog tot vijf jaren nadat zij zijn verschuldigd, kan vaststellen. Met betrekking tot de statusoverzichten merkt de Raad op dat deze overzichten uitsluitend een weergave zijn van de door appellante aan gedaagde verstrekte gegevens die in de administratie van gedaagde zijn verwerkt. De op deze overzichten vermelde onjuistheden hadden op aangeven van appellante moeten worden gecorrigeerd.

Aangezien gedaagde er bij appellante geen twijfel over heeft laten bestaan dat sprake is van premieplicht, komen de gevolgen van het laten afsluiten dan wel het laten doorlopen van particuliere (arbeidsongeschiktheids)verzekeringen voor rekening en risico van appellante. De Raad ziet derhalve geen aanleiding om de in dit verband gemaakte kosten van de door gedaagde vastgestelde premies af te trekken.

Ook ziet de Raad in de overige aangevoerde grieven geen aanleiding voor de conclusie dat appellante niet had mogen overgaan tot het opleggen van de premienota’s over de jaren 1999 tot en met 2001. In dit verband merkt de Raad op dat de door appellante aangehaalde uitspraken betrekking hebben op niet met het onderhavige geval vergelijkbare zaken.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en prof. mr. A.Q.C. Tak als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x