Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AV2099
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Door onjuiste loonopgave zijn terecht op grond van artikel 12 van de CSV boetes opgelegd.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/1600 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 februari 2005, reg.nr. 03/1102.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 januari 2006, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R. Hofland, werkzaam bij het Uwv, en waar voor gedaagde is verschenen mr. drs. H. Oude Smeijers, werkzaam bij KroeseWevers belastingadviseurs te Almelo.




II. MOTIVERING


Appellant heeft op basis van de resultaten van een door de Belastingdienst uitgevoerd boekenonderzoek aan gedaagde correctie- en boetenota’s over de jaren 1999 tot en met 2001 opgelegd. De correctienota’s zijn opgelegd omdat gedaagde onjuiste toepassing had gegeven aan de zogenoemde carpoolregeling en bovenmatige onkostenvergoedingen had verstrekt. Appellant heeft de boetes vastgesteld op 25% van de verschuldigde premies, waarbij de gedraging van gedaagde is gekwalificeerd als te wijten aan opzet of grove schuld.

Gedaagde heeft tegen de boetenota’s bezwaar gemaakt omdat zij zich niet kon verenigen met het vastgestelde percentage van 25. Bij besluit van 5 november 2003 heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het tegen het besluit van 5 november 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Overwogen is dat de aan de boetes ten grondslag liggende gedragingen terecht door appellant zijn aangemerkt als aan opzet of grove schuld te wijten. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar evenwel vernietigd nu niet blijkt dat appellant in zijn belangenafweging of een boete moet worden opgelegd, en zo ja tot welke hoogte, heeft betrokken dat reeds een fiscale boete is opgelegd voor dezelfde gedragingen.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad stelt vast dat gedaagde over de jaren 1999 tot en met 2001 onjuiste loonopgave heeft gedaan en dat appellant derhalve gehouden was om op grond van artikel 12 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) boetes over die jaren op te leggen. De Raad is voorts met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen van oordeel dat het aan grove schuld van gedaagde te wijten is dat hij onjuiste loonopgave heeft gedaan en dat appellant de boetes in overeenstemming met de geldende boete- en toepassingsbesluiten heeft vastgesteld op 25% van de verschuldigde premie.

De Raad ziet zich voorts gesteld voor de vraag of de aan gedaagde opgelegde fiscale boetes een omstandigheid vormen, waarmee appellant bij het opleggen van de boetes rekening had moeten houden. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend op de grond dat de boetes zijn opgelegd ter zake van twee van elkaar te onderscheiden (beboetbare) feiten. De fiscale boetes zijn opgelegd in verband met het doen van een onjuiste aangifte loonbelasting en zijn gebaseerd op de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl de thans in geding zijnde boetes het gevolg zijn van onjuiste loonopgave als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de CSV. De omstandigheid dat de onjuiste loonopgaven een uitvloeisel zijn van één en hetzelfde feitencomplex, doet aan het vorenstaande niet af.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x