Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AV3368
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn in de aan de premieheffing ten grondslag liggende loonsom ten onrechte mede begrepen betalingen aan niet (langer) verzekerde personen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/3866 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij beroepschrift van 11 juli 2001 heeft mr. J.J.F. Stormmesand, werkzaam bij KPMG Meijburg & Co te Amstelveen, als gemachtigde van appellante op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Utrecht op 31 mei 2001, nummer 99/1788, tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 oktober 2004, waar namens appellante is verschenen mr. J. van Beek, werkzaam bij appellante, vergezeld van voormelde gemachtigde en waar namens gedaagde is verschenen mr. D.B. Smaalders, werkzaam bij het Uwv.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend en hebben partijen over en weer hun standpunten schriftelijk toegelicht en stukken overgelegd. Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven tot afdoening buiten zitting.




II. MOTIVERING


Naar aanleiding van een bij appellante tussen 30 november 1998 en 4 december 1998 uitgevoerde looncontrole heeft gedaagde - voorzover in hoger beroep van belang - aanvullende premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten over de jaren 1995 en 1996 geheven. Gedaagde stelt de correcties te hebben gebaseerd op de in de loonadministratie van appellante vermelde loonbedragen. Gedaagde wijst daarbij op een in het looncontrolerapport neergelegde afspraak tussen de looninspecteur en appellante.

Appellante stelt onder verwijzing naar haar brieven van 3 en 6 juli 1998 en 18 augustus 1998 reeds vóór de looncontrole aan gedaagde kenbaar te hebben gemaakt dat in haar jaaropgaves ten onrechte betalingen aan (niet langer) verzekerde vutters zijn betrokken. Daarbij heeft appellante een overzicht van de te corrigeren bedragen op nominatief niveau overgelegd. Appellante stelt ten tijde van de looncontrole in de veronderstelling te zijn geweest dat de looninspecteur bij de vaststelling van de looncorrecties mede acht zou slaan op deze bedragen. Na kennisname van het looncontrolerapport heeft appellante er wederom op gewezen dat gedaagde van te hoge loonbedragen uitgaat, met het verzoek de door appellante aangedragen juiste loonbedragen alsnog over te nemen. Gedaagde heeft dit verzoek afgewezen met verwijzing naar de met de looninspecteur gemaakte afspraak, waarna gedaagde tot oplegging van de correctie- en boetenota’s is overgegaan.

Appellante heeft in bezwaar tegen de opgelegde nota’s wederom gewezen op het reeds vóór de looncontrole gedane verzoek tot verlaging van de loonbedragen. Gedaagde heeft het bezwaar bij besluit van 29 juli 1999 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard en met betrekking tot het in hoger beroep aanhangige geschilpunt verwezen naar de door de looninspecteur gemaakte afspraak. Daarbij heeft gedaagde gesteld dat niet is gebleken dat de door appellante bij brieven van 3 juli, 6 juli en 18 augustus 1998 weergegeven correcties tijdens de controle reeds in de administratie waren verwerkt dan wel aan de looninspecteur waren kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft het beroep, voorzover dit betrekking heeft op het in hoger beroep in geding zijnde aspect, ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft gedaagde gesteld dat hij, gelet op de omvang van de door appellante voorgestelde creditering, daarmee nimmer akkoord zou zijn gegaan zonder overlegging van nominatieve specificaties. Anderzijds heeft gedaagde ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd gesteld aan de betreffende afdeling opdracht te hebben gegeven om de correcties alsnog uit te voeren. Gedaagde heeft in dit verband creditnota’s overgelegd. Appellante stelt dat gedaagde ook bij de vaststelling van deze creditnota’s van een te hoge loonsom is uitgegaan.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op de standpunten van partijen, zoals in hoger beroep uiteengezet, verschillen partijen uitsluitend nog van mening over de vraag of in de aan de premieheffing ten grondslag liggende loonsom ten onrechte mede zijn begrepen betalingen aan niet (langer) verzekerde personen. De Raad constateert dat de door gedaagde in hoger beroep overgelegde nota 1995 van 22 oktober 2001 is gebaseerd op een heffingsgrondslag (voor de Werkloosheidswet) van f 35.035.272,-- welk bedrag exact overeenkomt met het ten tijde van de looncontrole in de loonadministratie van appellante opgenomen loonsom. Hieruit leidt de Raad af dat gedaagde niet middels de betreffende nota alsnog aan het verzoek van de werkgever tot verlaging van de heffingsgrondslag tegemoet gekomen is.

Uit de gedingstukken valt niet af te leiden of de betalingen aan de door appellante genoemde personen in de heffingsgrondslag zijn begrepen. Dit betreft een feitelijke vraag, die inzage in de loonadministratie van appellante vergt. Aangezien appellante vóór de looncontrole schriftelijk heeft gewezen op de onjuistheid in haar administratie, had gedaagde deze vraag bij de looncontrole dienen te betrekken. De looninspecteur was immers, blijkens de stellingen van gedaagde, ten tijde van de controle van de correspondentie op de hoogte. Nu dit niet is geschied, had gedaagde in het kader van de heroverweging de vaststelling van de voor deze zaak relevante feiten niet achterwege mogen laten alvorens op het bezwaarschrift van appellante te beslissen. In dat kader had tevens aan de orde kunnen komen welke nadere nominatieve specificaties gedaagde, naast de door appellante reeds overgelegde lijsten met namen, sofi-nummers, loonsommen, premiebedragen, loondagen en franchises, noodzakelijk acht.

De Raad voegt aan het voorgaande nog toe dat gedaagde bij gelegenheid van een looncontrole dient te streven naar een finale afrekening van de verschuldigde premies. Voorzover mogelijk en aan de orde, dient daarbij naast de op te leggen debetcorrecties tevens acht te worden geslagen op een eventuele creditcorrectie op de verschuldigde premie. Zulks reeds ter voorkoming van complicaties voor de werkgever in het kader van artikel 11, vierde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

De Raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit, alsmede de aangevallen uitspraak, niet stand kunnen houden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten en behoudens voorzover daarin over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in eerste aanleg is beslist;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde recht van f 675,-- (€ 306,30) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x