Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AV8570
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Tentoonstellingbouwers. Looncontrole. Correctienota. Boete. Koffie-/gereedschapsgeld, overwerk-, zakgeld- en maaltijdvergoeding. Reële kosten? Zijn de onkosten noodzakelijk en onvermijdelijk voor de uitoefening van het werk?
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/679 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 11 mei 2004 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen correctie- en boetenota’s van 18 en 25 april 2003, onderscheidenlijk 6 mei 2003.

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 27 december 2004, registratienummer 04/1307, het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. H.J.S.M. Nuijten, belastingadviseur bij Mazars Paardekooper Hoffman te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift van 24 maart 2005 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 9 mei 2005, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 december 2005, waar voor appellante - daartoe ambtshalve opgeroepen - is verschenen mr. Nuijten, voornoemd, en waar voor gedaagde - daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen - is verschenen mr. R. Hofland, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
De bedrijfsactiviteiten van appellante bestaan uit het vervaardigen van stands op tentoonstellingen, maquettes en interieur- en winkelbetimmeringen.

In 1998 is bij appellante vanwege gedaagde een looncontrole gehouden. Blijkens het hiervan opgemaakte rapport zijn vergoedingen die appellante aan haar werknemers verstrekt, beoordeeld en zijn er met betrekking tot die vergoedingen afspraken gemaakt.

In januari 2002 is bij appellante wederom een looncontrole gehouden. Naar aanleiding van deze controle heeft gedaagde appellante correctienota’s, gedateerd 18 april 2003, doen toekomen over de jaren 1999 en 2000, alsmede correctienota’s, gedateerd 25 april 2003, over de jaren 1998 en 2002. Tevens heeft gedaagde appellante boetenota’s, gedateerd 6 mei 2003, doen toekomen over de jaren 1998 tot en met 2000.

De correctienota’s over de jaren 1998 tot en met 2000 hebben betrekking op door appellante aan haar werknemers in deze jaren verstrekte
- koffie/gereedschapsgeld;
- overwerkvergoeding;
- zakgeldvergoeding en
- maaltijden.
Van het maandelijks verstrekte koffie/gereedschapsgeld heeft gedaagde f 21,66 (koffiegeld) niet als premieplichtig loon aangemerkt. Met betrekking tot de overwerkvergoeding van f 10,-- per dag, welke vergoeding wordt verstrekt indien een werkdag meer dan 11 uur bedraagt, heeft gedaagde het premieplichtig loon gecorrigeerd, omdat bij de eerdere looncontrole in 1998 is afgesproken dat deze vergoeding niet meer onbelast zou worden verstrekt en appellante zich niet aan deze afspraak heeft gehouden. Met betrekking tot de zakgeldvergoeding van f 25,-- per dag, welke vergoeding wordt verstrekt indien een werknemer in een hotel moet overnachten, is f 10,-- als bovenmatig aangemerkt, omdat bij de controle in 1998 is afgesproken dat de vergoeding van destijds f 20,-- verlaagd zou worden tot f 15,-- per overnachting, tenzij appellante aannemelijk kan maken en wel door het verzamelen van bonnen gedurende een periode van tenminste vier maanden dat de werkelijk gemaakte kosten hoger liggen. Dit laatste is niet geschied. Met betrekking tot de maaltijden die de werknemers van appellante nuttigen bij een verblijf in een hotel en waarvan appellante de kosten voor haar rekening neemt, is gecorrigeerd, omdat appellante zich niet aan de in 1998 gemaakte afspraak heeft gehouden dat vanaf maart 1998 een forfaitaire bijtelling zal plaatsvinden in overeenstemming met de daarvoor geldende tabel vervat in de ministeriële Regeling waardering loon in natura.
De correctienota over het jaar 2002 heeft betrekking op niet ingehouden loonheffing.

Bij het in beroep bestreden besluit van 11 mei 2004 heeft gedaagde de correctie- en boetenota’s gehandhaafd.

Dit besluit heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak op haar beurt in stand gelaten. Daarbij heeft zij onder meer overwogen dat het op de weg van appellante ligt om aannemelijk te maken dat er feitelijk door haar werknemers kosten zijn gemaakt en dat de verstrekte vergoedingen strekken ter dekking van reële kosten. Door appellante zijn geen stukken overgelegd waaruit valt op te maken dat de betaalde vergoedingen strekken tot vergoeding van onkosten die voor de uitoefening van de dienstbetrekking noodzakelijk en onvermijdelijk zijn. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat gedaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door geen zelfstandig onderzoek naar de juistheid en de hoogte van de verstrekte vergoedingen in te stellen en door slechts de conclusies uit het looncontrolerapport uit 1998 als uitgangspunt te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake geweest van een zelfstandig en op zichzelf staand onderzoek en is het niet onbegrijpelijk dat gedaagde met betrekking tot de - wederom - in geschil zijnde onkostenvergoedingen de bevindingen uit een voorgaand onderzoek als uitgangspunt heeft genomen. De rechtbank heeft appellante evenmin gevolgd in haar stelling dat gedaagde haar nimmer heeft gewezen op de verplichting het reële karakter van de onkostenvergoedingen aannemelijk te maken. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in het looncontrolerapport van 1998 is aangegeven dat appellante één en ander dient aan te tonen. Met betrekking tot de opgelegde boetenota’s heeft de rechtbank overwogen dat het aan voorwaardelijke opzet van appellante is te wijten dat te weinig premie is geheven. Dat appellante nimmer het oogmerk heeft gehad gedaagde te benadelen, kan hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen.

Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

Met betrekking tot het door haar primair aangevoerde, namelijk dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, volstaat de Raad met te verwijzen naar hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen. Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel waarbij appellante heeft gewezen op een brief van gedaagde aan een andere werkgever, is de Raad van oordeel dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat er van gelijke gevallen sprake is. De door appellante ingebrachte grieven tegen de onderscheidene vergoedingen dienen in het licht van de in 1998 gemaakte afspraken te falen, behoudens haar grief met betrekking tot het gereedschapsgeld.

In het rapport van 1998 staat onder het kopje “koffie/gereedschapsgeld” namelijk het volgende vermeld:
“Werknemers ontvangen een vaste vergoeding van f 65,-- per maand voor koffie en de aanschaf/vervanging van klein gereedschap. Deze vergoeding wordt 11 maal per jaar verstrekt. Volgens werkgever is de hoogte van de vergoeding destijds in overleg met de fiscus vastgesteld. Met ingang van 1-1-1997 is de koffiegeldvergoeding niet langer vrijgesteld van loonheffing (wel vrijgesteld van s.v. premies). Een uitzondering hierop vormt de koffiegeldvergoeding aan ambulant personeel. Gebleken is echter dat het personeel alle voorkomende kosten onderweg tegen overleg van bonnen vergoed krijgt. Tevens is geconstateerd dat het kantoorpersoneel (aantal: 2) eveneens de vaste vergoeding voor koffie en gereedschap hebben ontvangen, terwijl deze personen de koffie gratis verstrekt krijgen en geen uitgaven hebben i.v.m. de aanschaf van gereedschap. Volgens werkgever zouden deze personen echter wel andere uitgaven hebben. Aan werkgever te kennen gegeven dat een vergoeding voldoende onderbouwd dient te zijn en niet achteraf benoemd mag worden. Gelet op het geringe belang en het feit dat de vergoeding bij de voorgaande controle door de bedrijfsvereniging geaccepteerd is, hiervoor naar het verleden toe geen correcties gemaakt. Met werkgever is de afspraak gemaakt dat de vergoeding aan het kantoorpersoneel m.i.v. maart 1998 zal komen te vervallen c.q. belast zal worden voor zowel loonheffing als s.v. premies.”

Met appellante is de Raad van oordeel dat in 1998 niet ter discussie stond de verstrekking van gereedschapsgeld aan het ambulante personeel. Het ging om het koffiegeld voor dit personeel. Tevens stond ter discussie de verstrekking van koffiegeld/gereedschapsgeld aan het kantoorpersoneel. Met betrekking tot deze verstrekking is een afspraak gemaakt. De Raad moet het er dan ook voor houden dat de verstrekking van gereedschapsgeld aan het ambulante personeel destijds is geaccepteerd. Gelet hierop was er naar aanleiding van de controle in 2002 geen grond om over de betrokken jaren het premieloon met betrekking tot deze verstrekking te corrigeren.

Uit het vorenstaande volgt tevens dat de boetenota’s naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. De Raad voegt hier nog aan toe dat hij in het licht van de in 1998 gemaakte afspraken appellante niet volgt in haar standpunt dat zij mocht menen juist te hebben gehandeld met betrekking tot de overige vergoedingen en de maaltijdverstrekkingen.

De Raad komt derhalve tot de conclusie dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 682,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2006.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Renden.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x