Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AV9080
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De rechtbank heeft appellant ten onrechte veroordeeld in de proceskosten aangezien er geen sprake was van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/3854 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 april 2005, reg.nr. 03/2991.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 maart 2006, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Lustenhouwer, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant heeft bij besluit van 13 juni 2003 aan gedaagde een boete opgelegd ter hoogte van 7,5% van de ambthalve vastgestelde premie over het eerste kwartaal van het jaar 2003. Aan dit besluit ligt het standpunt ten grondslag dat gedaagde artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) heeft geschonden door de periodieke loonopgave niet tijdig in te zenden. Tevens heeft appellant vastgesteld dat sprake is van een derde overtreding die aan opzet of grove schuld te wijten is.

Gedaagde heeft na verzending van het besluit van 13 juni 2003 alsnog loonopgave gedaan over het eerste kwartaal van het jaar 2003. Appellant heeft aan de hand van deze loonopgave de verschuldigde premies herberekend. Appellant heeft aanleiding gezien om bij besluit van 16 september 2003 de opgelegde boete te herzien naar een bedrag van € 567,73, zijnde 7,5% van het herberekende premiebedrag.

Het tegen het besluit van 16 september 2003 gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 oktober 2003 ongegrond verklaard. Appellant heeft daarbij wel vastgesteld dat sprake is van een tweede in plaats van een derde overtreding, maar omdat dit geen gevolgen heeft voor de hoogte van de boete heeft appellant het besluit gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij mondelinge uitspraak van 29 april 2005 het tegen het besluit van 23 oktober 2003 ingestelde beroep - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard en het besluit van 23 oktober 2003 vernietigd. Gedaagde heeft in beroep een brief van appellant van 15 september 2003 overgelegd, waarin staat vermeld dat de ambtshalve opgelegde premie over het eerste kwartaal van het jaar 2003 volledig wordt gecrediteerd. Hiermee staat volgens de rechtbank vast dat appellant de ambtshalve opgelegde premies (kennelijk) op nihil heeft gesteld. De rechtbank heeft daaruit de conclusie getrokken dat ook de opgelegde boete op nihil moet worden vastgesteld.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, waarbij onder meer het volgende is aangevoerd.
“Wij kunnen niet anders concluderen dan dat de brief van 15 september 2003 waar de rechtbank in zijn uitspraak naar verwijst hem kennelijk op het verkeerde been heeft gezet. Met de brief wordt niet meer bedoeld dan dat de ambtshalve premienota met het alsnog indienen van de jaaropgaven is komen te vervallen. Op 16 september 2003 hebben wij, met inachtneming van die jaaropgaven, ten aanzien van gedaagde opnieuw premie en boete vastgesteld. Overigens kan door gedaagde verschuldigde premie ook niet nihil zijn. Niet is immers gebleken dat gedaagde gedurende het eerste kwartaal van het premiejaar 2003 geen personeel (meer) in dienst had.”

De Raad kan zich verenigen met vorengenoemd standpunt van appellant. De creditering van de ambtshalve opgelegde premies heeft geen consequenties voor de in geding zijnde boete nu deze niet hierop is gebaseerd.

De Raad is voorts van oordeel dat de boete ook overigens terecht is opgelegd en overweegt daartoe als volgt.

Vaststaat dat gedaagde artikel 10, tweede lid, van de CSV heeft geschonden door de opgaven over het eerste kwartaal van het jaar 2003 te laat in te dienen. Tevens staat vast dat gedaagde over deze periode premies was verschuldigd. Hieruit volgt dat appellant op grond van artikel 12 van de CSV gehouden was om een boete op te leggen. De Raad stelt voorts vast dat appellant de boete terecht heeft vastgesteld op 7,5% van de verschuldigde premie. Evenals appellant stelt de Raad daarbij vast dat sprake is van een tweede overtreding. Bovendien kan de Raad zich verenigen met het standpunt van appellant dat de onderhavige overtreding te wijten is aan opzet of grove schuld.

Naar aanleiding van de in hoger beroep aangevoerde grieven acht de Raad het aangewezen om op te merken dat de rechtbank ten onrechte appellant heeft veroordeeld in de proceskosten van gedaagde aangezien geen sprake was van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net , in tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x