Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AV9082
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van premiecorrecties en boetenota’s. Onjuiste loonopgaven. Grove schuld.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/2484 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. dr. C.P.M. van Houte, belastingadviseur te Geleen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht, kenmerk 04/325, van 1 april 2005.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 februari 2006. Partijen zijn bij die gelegenheid niet verschenen.




II. MOTIVERING


Als uitvloeisel van een in 2002 en 2003 door de looninspecteur van gedaagde met de Belastingdienst uitgevoerde controle zijn aan appellant, die een pizzeria dreef, premiecorrecties en boetenota’s over 1999 tot en met 2001 opgelegd. De desbetreffende beslissingen van gedaagde, die in het na bezwaar genomen besluit van gedaagde zijn gehandhaafd, hielden verband met buiten de administratie gehouden vergoedingen onder de noemer van bezorgkosten van pizzabezorgers, welke onder verwerping van de ondeugdelijke administratie van appellant alsnog als loon werden beschouwd. De berekening van de vergoedingen, uitgaande van loonbetalingen en niet van onkosten, heeft plaatsgevonden aan de hand van in de computer aanwezige klantenbestanden en bruikbare gegevens ten tijde in geding.

Appellant heeft in essentie gelijke gronden ontwikkeld zowel tegen het bestreden besluit van gedaagde bij de rechtbank als in hoger beroep bij de Raad tegen de uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep van appellant ongegrond is verklaard. Voorzover hierop nog enige precisering in de beroepsgronden is aangebracht, zal daarop hierna worden ingegaan.

Te dien aanzien overweegt de Raad op grond van de stukken, in het bijzonder de onderbouwde looncontrolegegevens, dat hij het gedegen gemotiveerde oordeel van de rechtbank deelt. Ook naar het oordeel van de Raad is door appellant niet de vereiste deugdelijke loonadministratie gevoerd in de zin van artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), waarbij niet alleen de bezorgkosten van anonieme pizzakoeriers niet werden bijgehouden maar ook de elektronische gegevens van de pizzalijn onder verwaarlozing van enige bewaarplicht en een adequate verifieerbaarheid dagelijks werden geëcarteerd. Daarom is een zorgvuldige en een aanvaardbare berekening van die kosten naar aard en naar hoogte terecht met behulp van wel aangetroffen bruikbare bestandsgegevens en met inachtneming van de reproduceerbare voorraden pizzabollen en verpakkingsmateriaal als dozen uitgevoerd. De uitkomsten hiervan komen de Raad, ook waar voorzover mogelijk een zekere toegespitste differentiatie is toegepast, niet onredelijk voor en de kritiek van appellant hierop als zou er sprake zijn van een willekeurige en voor hem onevenredig nadelige uitvoering mist zowel grond als ook concrete aanknopingspunten voor een andere hanteerbare benadering.

De Raad is tevens van oordeel dat bedoelde kosten op goede gronden als premieloon zijn aangemerkt en tot de voorliggende premiecorrecties aanleiding hebben gegeven, nu eensdeels de pizzakoeriers onmiskenbaar in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam zijn geweest en appellant in genen dele erin is geslaagd aannemelijk te maken dat het in hun geval geheel dan wel ten dele om afsplitsbare traceerbare specifieke onkostenvergoedingen in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, van de CSV heeft gehandeld. De bewijsvoering om te weerleggen dat het hier om loon ging als uitzondering op de hoofdregel van artikel 4 van de CSV berust ook volgens de Raad bij appellant en hij is daarin niet geslaagd. Daarbij vormen de groei van de onderneming en de wisseling in het personeelsbestand als zodanig geen steekhoudend argument om alsdan geheel aan de toegegeven administratieve onvolkomenheden voorbij te gaan en appellant als risicodragend werkgever het voordeel van de twijfel te geven. Als basis van de toetsing heeft overigens terecht, anders dan waarvan appellant ten onrechte uitgaat, de CSV gediend en niet de belastingregelgeving inzonderheid de Algemene wet inzake rijksbelastingen en evenmin een gevoteerde benadering zoals die van de Belastingdienst. Reeds met het oog op eerstbedoelde hier toepasselijke regelgeving mist het gedane beroep op het vertrouwensbeginsel, wat daarvan overigens zij, evenzeer doel.

Tevens kan de Raad instemmen met de opgelegde, genoegzaam gemotiveerde boeten nu geen juiste loonopgaven over de bezorgkosten zijn gedaan en hieraan grove schuld van appellant als in verzuim zijnde werkgever zeker ten grondslag kan worden gelegd.
Waar appellant schriftelijk meerdere malen en nog op een gehouden hoorzitting voor het na bezwaar genomen besluit van gedaagde voldoende gelegenheid heeft gehad te reageren op de voorgenomen beslissingen van gedaagde, waaronder met name het boetebesluit, kan reeds uit dien hoofde niet worden staande gehouden dat artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn geschonden, te minder nu ook in twee opvolgende rechterlijke instanties voorzover nodig een nadere vaststelling van de feiten heeft plaatsgehad.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. B.J. van der Net en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x