Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AV9371
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Correctienota. Boete van 25%. De gedragingen van de werkgever worden gekwalificeerd als opzet/grove schuld. Premie over loon voor verlofsparen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/1685 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. J.R. Hesse, werkzaam bij Achmea Fiscale Zaken te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 februari 2005, reg.nr. 03/1166 ALGEM.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 januari 2006, waar voor appellante zijn verschenen mr. J.R. Hesse en mr. J. Meeboer, werkzaam bij Foros Advies B.V., en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F. Costa Baiôa, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Voor een uitgebreid overzicht van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De volgende feiten acht de Raad in dit geding nog relevant te vermelden.

Gedaagde heeft aan appellante over de jaren 1999 tot en met 2001 correctienota’s opgelegd. Tevens zijn boetenota’s opgelegd ter hoogte van 25% van de alsnog verschuldigde premies. Gedaagde heeft de aan appellante te verwijten gedraging gekwalificeerd als opzet of grove schuld.

Bij besluit van 17 september 2003, voorzover hier van belang, heeft gedaagde de correctienota over het jaar 2000 gehandhaafd voorzover die betrekking heeft op de zogenoemde sabbatical leave (hierna: betaald verlof) regeling. Daarbij heeft gedaagde het recht op betaald verlof aangemerkt als een aanspraak zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Gedaagde heeft op grond hiervan de loonwaarde van de in het jaar 2000 opgespaarde vrije tijd ad f 184.077,-- in de premieheffing over dat jaar betrokken. De boetenota’s zijn gehandhaafd voorzover die betrekking hebben op de verschuldigde premies terzake de betaald verlof-, aandelenoptie-, bedrijfsfitness- en ouderschapsverlofregeling.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 17 september 2003 ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde wat het jaar 2000 betreft terecht bij de betaald verlofregeling is uitgegaan van een aanspraak als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de CSV. De rechtbank heeft voorts in het aangevoerde geen aanleiding gezien om de opgelegde boetes te matigen.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Volgens de voor appellante geldende collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) kunnen werknemers over een periode van zeven jaren een recht opbouwen op (gedeeltelijk) betaald verlof dat minimaal twee maanden en maximaal zes maanden mag duren. De werknemers kunnen dit recht verkrijgen indien zij verdiend loon en/of opgebouwde vrije tijd inbrengen. Uit de CAO blijkt dat niet alleen (regulier) salaris, maar bijvoorbeeld ook ploegendienstvergoedingen en overwerktoeslagen hiervoor kunnen worden gebruikt. Ook kan een medewerker voor dit doel zijn gemiddelde werkweek laten veranderen. Met betrekking tot de in te brengen vakantie-uren en vrij opneembare roostervrije dagen staat vermeld dat die door appellante in geld worden gewaardeerd. De inhoudingen en uitbetalingen vinden voorts maandelijks dan wel jaarlijks plaats.

De thans voorliggende vraag is of gelet op de bij appellante geldende regeling het recht op betaald verlof aangemerkt moet worden als een aanspraak als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de CSV. De Raad beantwoordt deze vraag evenals de rechtbank bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de CSV behoren tot het loon aanspraken om na verloop van tijd of onder voorwaarden een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.

Indien een werknemer met appellante is overeengekomen dat van de hiervoor omschreven regeling gebruik wordt gemaakt, wordt de inbreng van de werknemer in geld gewaardeerd teneinde te zijner tijd te kunnen worden omgezet in een recht op betaald verlof. Daarmee verkrijgt de werknemer een aanspraak om na verloop van tijd loon te ontvangen tijdens het opnemen van verlof. In overeenstemming met het wettelijke systeem van de CSV wordt deze aanspraak - en niet de te zijner tijd te ontvangen loondoorbetaling tijdens verlof - als premieloon aangemerkt. De Raad merkt op dat geen sprake is van uitgesteld (nog niet genoten) loon nu de regeling er toe strekt om het gespaarde loon - behoudens uitzonderingsgevallen - uitsluitend tot uitkering te laten komen tezamen met het opnemen van verlof. De door appellante gemaakte vergelijking met het zogenoemde gewone verlof, waarbij niet de aanspraak op loonbetaling tot het premieloon behoort, doch het loon over die dagen, kan de Raad niet volgen. Daartoe merkt hij op dat voor het ontstaan van het recht op gewoon verlof - anders dan bij het thans in geding zijnde betaalde verlof - geen (met verlof corresponderend) loon hoeft te worden ingebracht.

Het feit dat de wetgever per 1 januari 2001 aan artikel 4 van de CSV een derde lid heeft toegevoegd, waarin het betaald verlof specifiek is aangemerkt als aanspraak, doet aan het vorenstaande niet af en brengt de Raad derhalve niet tot een ander oordeel.

De stelling van appellante dat het maximaal aantal premiedagen (lees: loondagen) van 260 wordt overschreden indien de loonwaarde van de gespaarde tijd in de premieheffing wordt betrokken, kan de Raad niet volgen. Ingevolge artikel 9, zesde lid, aanhef en onder b, van de CSV dient bij de vaststelling van het aantal loondagen uit te worden gegaan van dagen waarover loon is genoten. In het onderhavige geval is over de gewerkte extra tijd geen loon genoten.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen, nu de Raad niet is gebleken van een vóór 2000 bij appellante bestaande (soortgelijke) verlofregeling die door gedaagde is beoordeeld.

Met betrekking tot de opgelegde boetenota’s over de jaren 1999 tot en met 2001, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante over de hiervoor genoemde jaren niet volledig aan zijn verplichting tot loonopgave als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de CSV heeft voldaan. Gedaagde was derhalve op grond van artikel 12 van de CSV gehouden om over die jaren boetes op te leggen.

Met betrekking tot het aannemen van grove schuld, heeft de Raad al meermalen overwogen dat de werkgever zich er in het algemeen bewust van zal moeten zijn welke loonopgaven hij moet doen. In geval van twijfel ligt bij de werkgever de verantwoordelijkheid ter zake informatie in te winnen bij gedaagde. Indien zulks is nagelaten dient grove schuld te worden aangenomen, tenzij de werkgever omstandigheden aanvoert en zonodig aannemelijk maakt, waaruit volgt dat de overtreding niet aan zijn grove schuld is te wijten.

Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat gedaagde feitelijk geen premienadeel heeft geleden, omdat zij over de jaren 1999 tot en met 2001 aan premies meer heeft betaald dan zij was verschuldigd. Bovendien is gesteld dat het percentage van de niet betaalde premies ten opzichte van het totaalbedrag aan verschuldigde premies gering is, te weten 0,002%.

De Raad kan zich allereerst niet verenigen met de stelling dat door gedaagde geen premienadeel is geleden. Anders dan door appellante is gesteld, dient bij de vaststelling of sprake is van premienadeel niet te worden gekeken naar het totale verschuldigde bedrag, maar naar het bedrag dat is verschuldigd als gevolg van de onjuiste loonopgave. Dat over de jaren 2000 en 2001 in het totaal bezien te veel premies door appellante zijn betaald, laat voorts onverlet dat het niet (volledig) voldoen aan haar verplichting tot loonopgave te wijten is aan grove schuld. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het hier om een gering percentage van de totale loonopgave gaat.

In de omstandigheid dat appellante ten tijde van de looncontrole uit eigen beweging heeft aangegeven nog premies verschuldigd te zijn over de aan de werknemers verstrekte aandelenopties, ziet de Raad geen aanleiding om de boetenota’s vanwege verminderde verwijtbaarheid omlaag te brengen. De Raad kan zich daarbij verenigen met het door de rechtbank hierover ingenomen standpunt en voegt daaraan nog toe dat uit het verslag van de hoorzitting van 13 augustus 2003 kan worden opgemaakt dat appellante met betrekking tot de aandelenopties bewust heeft afgezien van loonopgave zonder zeker te zijn van de juistheid van deze beslissing.

De Raad ziet in de aangevoerde omstandigheden ook geen aanleiding om de boetes wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel te matigen. Volledigheidshalve verwijst de Raad daarbij naar zijn uitspraak van 9 juni 2005, LJN AT8092.

Appellantes beroep op de uitspraak van de Raad van 15 maart 1995, LJN ZB 2636, kan niet slagen nu het hier niet een met het onderhavige geval vergelijkbare zaak betreft. In het geval waarin de Raad uitspraak heeft gedaan was sprake van een overtreding van de zogenoemde 5%-regeling en waren er meerdere omstandigheden aan te wijzen op grond waarvan de boete is verlaagd.

De Raad kan zich voorts met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel met het standpunt van gedaagde verenigen dat uit het aangevoerde niet blijkt dat van de zijde van gedaagde ongeclausuleerde uitlatingen zijn gedaan waaraan appellante het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat geen boetenota’s zouden worden opgelegd.

Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x