Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AX6736
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Correctie- en boetenota's. Privaatrechtelijke dienstbetrekking? Werkzaamheden persoonlijk verrichten. Relatieve vrijheid. Weinig aanwijzingen. Zelfstandig werken.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/4221 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 juni 2005, 04/1543 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

en

appellant.

Datum uitspraak: 18 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens belanghebbende heeft mr. A.P.P.D. Rouwet, advocaat te Lichtenvoorde, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Appellant heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Voor belanghebbende zijn verschenen [naam vennoot], vennoot, en [naam werknemer], werkzaam bij belanghebbende, bijgestaan door mr. Rouwet.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wet- en regelgeving, zoals die luidde ten tijde als hier van belang.

Belanghebbende voert een bedrijf dat zich toelegt op het vervaardigen van uitlaten, delen van rolstoelen, diverse buigwerkzaamheden en de handel in auto-onderdelen. In 2003 is bij belanghebbende een looncontrole uitgevoerd over 1999 tot en met 2002. Daaruit is naar voren gekomen dat [L. B.], handelend onder de naam [betrokkene] te [vestigingsplaats], (hierna: betrokkene) in de jaren 1998 tot en met 2002 voor belanghebbende werkzaam is geweest. Appellant heeft geconcludeerd dat deze werkzaamheden zijn verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, zodat de aan betrokkene verrichte betalingen als loon moeten worden aangemerkt, waarover belanghebbende premie is verschuldigd. Bij besluiten van 17 mei 2004 en 19 mei 2004 zijn aan belanghebbende over de jaren 1999 tot en met 2002 correctie- en boetenota’s opgelegd. Bij besluit van 29 september 2004 zijn de bezwaren van belanghebbende tegen deze nota’s ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep van belanghebbende tegen het besluit van 29 september 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de bezwaren alsnog gegrond verklaard en de primaire correctie- en boetebesluiten herroepen.
Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres, het Uwv als verweerder en betrokkene als [B.]:
"Niet in geschil is dat [B.]s bedrijf bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven. Voorts is onweersproken gesteld dat [B.] op jaarbasis ca. 25% van zijn tijd werkzaam is voor eiseres, ca. 25% van zijn tijd werkzaam is voor meerdere andere bedrijven (in dat verband heeft verweerder geen privaatrechtelijke dienstbetrekking aangenomen) en voor het overige werkzaam is in zijn eigen werkplaats. Niet is weersproken dat [B.] reeds 14 jaar als zelfstandige werkzaam is. Op 2 februari 2005 is aan [B.] door de Belastingdienst een zogenoemde ‘verklaring arbeidsrelatie’ heeft verstrekt. In deze verklaring is vermeld dat gedurende de geldigheid van deze verklaring [B.]s opdrachtgever gevrijwaard is van het risico dat achteraf de Belastingdienst loonbelasting naheft en verweerder alsnog premienota’s werknemersverzekeringen oplegt voor deze arbeidsrelatie. Weliswaar heeft deze verklaring betrekking op het jaar 2005, doch niet in geschil is dat [B.]'s werkzaamheden en de wijze waarop hij die verricht in het jaar 2005 niet verschillen van die in de geding zijnde periode."

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het hierboven aangehaalde oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden. Het betoog van appellant komt in essentie hierop neer, dat de rechtbank in strijd met de wettelijke systematiek niet eerst is ingegaan op de vraag of sprake is van verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en hetgeen daarover in het besluit op bezwaar is overwogen, maar direct en uitsluitend heeft beoordeeld of betrokkene als zelfstandige kan worden aangemerkt. Voorts kan zelfstandigheid volgens appellant slechts een uitsluitingsgrond vormen in het zich hier niet voordoende geval dat niet aan de criteria van artikel 3 van voornoemde wetten is voldaan, maar de aanwezigheid van een zogenoemde fictieve dienstbetrekking aan de verzekeringsplicht ten grondslag is gelegd. Aan de in 2005 afgegeven verklaring arbeidsrelatie kan in de visie van appellant niet worden ontleend dat betrokkene ook in de daaraan voorafgaande jaren niet verplicht verzekerd was, nu de wetgever de geldigheid van die verklaring heeft beperkt tot de daarin genoemde periode teneinde oneigenlijk gebruik tegen te gaan. Tot slot is appellant van mening dat sprake is van verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van voornoemde wetten omdat sprake is van werkgeversgezag en ook aan de overige kenmerken van de privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt voldaan.

De Raad onderschrijft het betoog van appellant met betrekking tot de in de aangevallen uitspraak gehanteerde toetsingsvolgorde. In een geval als het onderhavige, waarin verzekeringsplicht is aangenomen op grond van het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, moet in de eerste plaats worden beoordeeld of aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan. Bij die beoordeling is het antwoord op de vraag of betrokkene de hoedanigheid van zelfstandige bezit niet van belang, omdat het bezit van die hoedanigheid niet uitsluit dat de werkzaamheden zijn verricht in het kader van een arbeidsverhouding welke moet worden aangemerkt als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad stelt vast dat de rechtbank dit niet heeft onderkend. Voorts heeft zij eraan voorbij gezien dat de verklaring arbeidsrelatie van betrokkene geldig is voor gedurende het jaar 2005 te verrichten werkzaamheden op het gebied van metaalbewerking en dat, indien voor de jaren in geding een verklaring arbeidsrelatie zou zijn afgegeven, deze op grond van de toen geldende wet- en regelgeving slechts van betekenis had kunnen zijn voor het aannemen van een fictieve dienstbetrekking, terwijl de verzekeringsplicht in het geval van betrokkene op de aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is gebaseerd. Gegeven dit oordeel komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

De Raad ziet geen grond om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank teneinde de vraag te beantwoorden of appellant aan de op 29 september 2004 gehandhaafde correctie- en boetenota’s terecht het standpunt ten grondslag heeft gelegd of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen belanghebbende en betrokkene. Met betrekking tot deze vraag overweegt de Raad het volgende.

In de eerste plaats stelt de Raad vast dat betrokkene gehouden was de werkzaamheden voor belanghebbende, bestaande uit het onderhoud van het machinepark en het aanpassen en vervaardigen van de bij de productie gebruikte mallen, persoonlijk te verrichten. Betrokkene werd ingeschakeld wegens zijn deskundigheid en bekwaamheid op dit terrein, en heeft zich niet daadwerkelijk laten vervangen, terwijl gelet op de aard van de werkzaamheden ook niet aannemelijk is dat belanghebbende deze werkzaamheden door een willekeurige derde zou laten verrichten. De verplichting tot loonbetaling is tevens aanwezig, nu de aan betrokkene voor zijn werkzaamheden betaalde vergoeding als een contraprestatie kan worden beschouwd voor de door hem verrichte arbeid.

Wat betreft de vraag of tussen belanghebbende en betrokkene een gezagsrelatie bestaat komt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting het volgende naar voren. Betrokkene verricht zijn werkzaamheden in de werkplaats van belanghebbende met en aan machines van belanghebbende. De onderhoudswerkzaamheden van betrokkene zijn noodzakelijk voor de instandhouding van het productieproces van belanghebbende en de door hem vervaardigde las- en buigmallen vormen een essentieel onderdeel van dat productieproces. Betrokkene vervaardigt de benodigde mallen aan de hand van tekeningen en zorgt voor eventuele aanpassingen. In geval van ziekte of vakantie van betrokkene neemt de vennoot Jansen deze werkzaamheden zo nodig over. Betrokkene verricht deze werkzaamheden al ruim zeven jaar gedurende twee tot drie dagen per week voor belanghebbende en geeft tevoren aan belanghebbende op op welke dagen hij beschikbaar is. Op grond van de hiervoor vermelde omstandigheden is voldoende aannemelijk dat belanghebbende, indien betrokkene een opdracht van belanghebbende heeft aanvaard, in het kader daarvan aanwijzingen kan geven welke betrokkene dient op te volgen. Dat betrokkene gezien zijn ruime ervaring en deskundigheid zijn werkzaamheden in relatieve vrijheid kan verrichten en met slechts weinig aanwijzingen zelfstandig aan het werk gaat is in dit verband niet doorslaggevend. De conclusie is dan ook dat sprake is van een gezagsverhouding tussen belanghebbende en betrokkene.

Gelet op het voorgaande heeft appellant terecht verzekeringsplicht voor betrokkene aangenomen op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, en in verband hiermee het premieloon over de jaren 1998 tot en met 2002 gecorrigeerd.

Met betrekking tot de boeten overweegt de Raad dat het tot de verantwoordelijkheid van belanghebbende als werkgever behoort om een volledige en juiste loonopgave te doen. In dat kader mocht van belanghebbende worden verwacht dat zij zich ervan vergewiste of van door haar in verband met arbeid gedane betalingen loonopgave moet worden gedaan. Daartoe had zij zich zonodig door appellant moeten laten informeren over de mogelijke consequenties van het inschakelen van betrokkene. Naar het oordeel van de Raad heeft belanghebbende door haar handelwijze de aanmerkelijke kans aanvaard dat ten onrechte geen premies werden betaald over het aan betrokkene betaalde premieloon, zodat sprake is van grove schuld. De Raad wil wel aannemen dat belanghebbende zich er niet van bewust was onjuist te handelen en niet te kwader trouw heeft gehandeld, maar dat kan aan de hiervoor getrokken conclusie geen afbreuk doen.

Gezien het voorgaande zal de Raad het beroep tegen het besluit van 29 september 2004 ongegrond verklaren.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x