Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AX7436
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Aansprakelijkstelling inzake verschuldigde premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4936 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2005, 04/301 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 9 maart 2006, waar voor appellant is verschenen mr. J.H. Sassen, advocaat te Arnhem. Het Uwv heeft zich niet doen vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Bij besluit van 25 oktober 2002 heeft het Uwv appellant ingevolge artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder a, van de CSV als leider van een vaste inrichting in Nederland aansprakelijk gesteld voor de door [GmbH] (hierna: de GmbH) over de jaren 1985 tot en met 1988 verschuldigde premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten. Het Uwv heeft appellants bezwaar tegen voormeld besluit ongegrond verklaard bij besluit van 7 november 2003 (hierna het bestreden besluit). Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Appellant stelt zich op het standpunt dat ten tijde van de aansprakelijkstelling invordering van de primaire nota’s van 9 maart 1989 en 5 juni 1989 ingevolge de vervaltermijn van artikel 13, tweede lid, van de CSV bij de GmbH niet meer mogelijk was. Appellant beroept zich op het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 19 november 1998, VN 1999/11.33, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de aansprakelijkstelling een accessoir karakter draagt en na verval van de primaire nota’s niet meer mogelijk is. Verder stelt appellant dat het Uwv te lang heeft getalmd met de aansprakelijkstelling.

Het Uwv stelt dat de verjaringstermijn van artikel 13 CSV niet van toepassing is op aansprakelijkstelling ingevolge artikel 16c van de CSV.

De Raad overweegt als volgt.

In de onderhavige zaak is appellant hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor premie verschuldigd door de GmbH, nadat de vastgestelde premie niet meer kon worden ingevorderd bij de GmbH op grond van artikel 13, tweede lid, van de CSV. Van aansprakelijkstelling voor onverschuldigde premie is geen sprake, aangezien het verval van de mogelijkheid tot invordering niet betekent dat de premie niet langer verschuldigd is door de GmbH.

Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 4 augustus 2005, LJN AU1487, is niet zonder betekenis dat artikel 13 van de CSV, in expliciete afwijking van de artikelen 16a en 16b van de CSV, in de artikelen 16c en 16d van de CSV niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Dit brengt mee dat de termijnen van artikel 13 van de CSV niet van toepassing zijn bij de op artikel 16c van de CSV gebaseerde aansprakelijkstelling. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat, op grond van het accessoire karakter daarvan, van aansprakelijkstelling dient te worden afgezien in geval de premie bij de primaire premieplichtige niet meer ingevorderd kan worden op grond van artikel 13, tweede lid, van de CSV. Deze stelling vindt geen steun in de relevante wettelijke bepalingen noch in de daarop betrekking hebbende wetshistorie. Voorts merkt de Raad op dat de stelling van appellant met betrekking tot het accessoire karakter van de aansprakelijkstelling niet als juist kan worden aanvaard, omdat het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 13 in de artikelen 16a en 16b van de CSV daarmee zinledig wordt.

De Raad is voorts van oordeel dat geen sprake is van talmen van de zijde van het Uwv in die mate dat de aansprakelijkstelling van appellant niet kan worden gehandhaafd. Daarbij acht de Raad relevant dat eerst tengevolge van de uitspraak van de Raad van 23 april 1998 de primaire premievordering in rechte vast is komen te staan. Hoewel zulks voor aansprakelijkstelling niet vereist is, kan het anderzijds in het algemeen niet onzorgvuldig worden geacht als het Uwv ervoor kiest om het oordeel van de rechter omtrent de primaire vordering af te wachten alvorens gebruik te maken van het middel van hoofdelijke aansprakelijkstelling. In de onderhavige zaak heeft het Uwv vervolgens nog getracht de primaire vorderingen te innen en in dat kader onder meer juridisch advies ingewonnen met betrekking tot invorderingsmogelijkheden in Duitsland. Eind 2000 heeft het Uwv de aansprakelijkstelling van appellant ter hand genomen, hetgeen heeft geleid tot het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende primaire besluit tot aansprakelijkstelling van 25 oktober 2002. Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder in de tussentijd een adresonderzoek heeft verricht. Hoewel de hiervoor geschetste gang van zaken geen toonbeeld van grote voortvarendheid is, blijkt anderzijds niet dat de zaak zonder aanleiding lange tijd heeft stilgelegen.

Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x